Opening van de Studiekringdag 1983 van de Koninklijke Nederlandse Bosbouwvereniging door de voorzitter Prof. dr. ir. R.A.A. Oldeman.*

Roulette (spel). Bron: Wikipedia.

“Dames en heren,

Uit de strategische overwegingen van de KNBV blijkt, dat alom grote behoefte bestaat aan klaarheid over de economische kant van de bosbouw. Aan het begin van deze studiekringdag wil ik daarom uw aandacht vragen voor de economisch relevante aspecten van de vorige drie studiekringdagen en van de huidige. Ik zal dat doen aan de hand van een vergelijking. In die vergelijking gaat er gelukkig een en ander mank, en ook dat zal ik u signaleren.

Stel dat een boseigenaar, houtvester of rentmeester bosaanleg of bosverjonging overweegt op een bepaald oppervlak en met een omloop van vijftig jaar. De kosten kunnen dan worden beschouwd als de inzet bij een roulettespel. De roulette draait hoogstens vijftig jaar, en komt het verhoopte nummer eruit dan wordt het maximale rendement verkregen. De roulette kan echter ook eerder tot stilstand komen. Dat gebeurt heel vaak. In ongeveer tien jaar tijd hebben wij dat meegemaakt met twee zware stormen, vier extra droge jaren, verscheidene epidemieën en een extra strenge winter. In bepaalde gevallen is de inzet geheel verloren met de vernietiging van opstanden. In andere gevallen komt de inzet er nog net uit, een “eigen geldje” in de vorm van voldoende natuurlijke verjonging of opbrengsten uit gevallen hout. Ook kan men denken aan uitkering van verdubbelde inzet, een soort “even of oneven”, als het meevalt.

Vertaald in economische termen hebben wij het over risicofactoren. In de vorige en in de huidige studiekringdagen vindt men alle mogelijke ingangen om daarmee rekening te houden. Dat zijn bij voorbeeld verwoestingsoorzaken, schaal van verjonging, soortenkeus, weerstand en veerkracht van bossen. Vandaag ligt de nadruk op de chemische risico’s.

Deze benadering, het zij onderstreept, strookt nauwelijks met die van de opbrengsttabellen. Bij het opstellen van zulke tabellen is aangenomen dat het resultaat aan het einde van een omloop met vrijwel complete zekerheid kan worden gerealiseerd. Dat denkbeeld is meer dan een eeuw oud, en het is aantoonbaar onjuist. Het sproot voort uit produktiemodellen waarin de inzet van menselijk handelen met grote zekerheid gelijk op gaat met de voortbrenging van produkten, zoals in de industrie. In de landbouw verlaat men deze redenering thans onopvallend. Er bestaat een computerattenderingsdienst voor boeren, die een seintje geeft op het tijdstip dat bij een bepaald gewas een bepaalde ingreep nodig is. Sedert kort is er een onderzoeksprogramma gestart om hierin een veel belangrijker plaats toe te kennen aan toevalsfactoren.

Het bos heeft namelijk van nature ingebouwde zekerheden, juist omdat die levensgemeenschap zelf aan deze risico’s blootstaat. De defensieve eigenschappen van het bos, in termen van structuren en aantallen… biomassa en stofomzetting.

In de bosbouw met zijn lange omlopen ligt de zaak anders. Dat landbouwprogramma kan niet zonder meer worden geïmiteerd. Toch zijn we gelukkig niet volledig verstrikt in een roulettespel, hoe belangrijk de risicofactoren ook zijn. Het bos heeft namelijk van nature ingebouwde zekerheden, juist omdat die levensgemeenschap zelf aan deze risico’s blootstaat. De defensieve eigenschappen van het bos, in termen van structuren en aantallen, zijn de vorige drie studiekringdagen uitgebreid aan de orde geweest. Vandaag worden ze behandeld in termen van vooral biomassa en stofomzetting.

Het gebruik van door evolutie ontstane natuurlijke eigenschappen van bomen en bos ter verhoging van de zekerheid van de opbrengstverwachtingen is altijd een kernthema geweest in de “natuurgetrouwe” bos- bouw (“naturgemasse Waldwirtschaft”). In Nederland zijn echter de groeiplaatsen allang niet meer natuurlijk, evenmin als de boslevensgemeenschappen met hun ingekruiste inheemse en hun exotische soorten. De natuurgetrouwe redenering in zijn Duitse vorm is hier te lande dan ook niet ongewijzigd bruikbaar. Ook bij onze Oosterburen is hij overigens eigenlijk door de maatschappelijke ontwikkelingen achterhaald: het luchtvervuilingseffect gooit bijna letterlijk roet in het eten. Ieder die dergelijke vraagstukken denkt op te lossen door het “terugdraaien” van ontwikkelingen geeft blijk van een museummentaliteit, op zichzelf respectabel, maar inefficiënt in dit verband. Terug naar vroeger is immers uitgesloten. Economisch betekent het nog iets ergers dan roulette spelen, namelijk geld weggooien. Dat geldt voor de produktiefunctie evengoed als voor de natuur- en recreatiefuncties.

Geen bosbouweconomie is relevant, die niet elementen uit de verzekerings- en uit de produktieeconomie integreert. En op die basis is bosbouw niet mogelijk zonder daarbij behorende en daartoe ontworpen teeltsystemen en technische procédés.

Logo KNBV

Geen bosbouweconomie is relevant, die niet elementen uit de verzekerings- en uit de produktieeconomie integreert. En op die basis is bosbouw niet mogelijk zonder daarbij behorende en daartoe ontworpen teeltsystemen en technische procédés. Een eerste nog elementaire stap in die richting, met gebruik van hedendaagse hulpmiddelen, is het Hamburgse “Auermühle-model” (Brünig et al. 1975). Dat wordt reeds tien jaar in de praktijk toegepast. Het geeft een richting aan om beide thans verouderde benaderingen, de industriële monoculture en de natuurgetrouwe bosbouw, op constructieve wijze achter ons te laten. In andere landen is men ons dus weer voor. Dat is ook al niet verwonderlijk als men beseft dat gedurende tientallen jaren in ons land sterk onvoldoende aandacht aan fundamenteel bosonderzoek is besteed.

Met een aantal van de redeneringen die worden toegepast in nieuwe systemen, zoals het Hamburgse, komen wij vandaag in aanraking. De eerste twee preadviezen betreffen de produktie in het bos, en de organisatie daarvan in de bodem. Het derde preciseert de risicofactoren op het gebied van milieuvervuiling. Het laatste betreft de raakpunten tussen bosbouw en industriële economie. Verder kunt u, als nieuwigheid op deze studiekringdag, tentoongestelde documentatie en demonstratiemateriaal bekijken in de pauzes. Tenslotte vrees ik dat u, net als ik, een scheikundeboek uit de middelbare schooltijd zult moeten opdelven om alle preadviezen te begrijpen. Dat is niet alleen de moeite waard, het is nodig in de huidige vervuilde wereld.

In de hoop dat een vruchtbaar contact tussen praktijk en onderzoek ook vandaag ontstaat, open ik deze studiekringdag.”

Bibliografie

*Deze lezing komt uit het eigen werk van Prof. dr. ir. Roelof A.A. Oldeman en is tevens – zonder markeringen en bronvermeldingen – gepubliceerd.

Oldeman, R.A.A. (1983). Bosbouw en roulette. Nederlands Bosbouwtijdschrift, 56/4: 81-82.

Brünig, E.F., Schneider T.W. (1975). Forstgut Auermühle: Geschichte und Wirtschaftsgrundsätze. Hamburg: Reinbek, p. 68