Form and Flow

Kian Goh | MIT Press

An examination of urban climate change response strategies and the resistance to them by grassroots activists and social movements.

Cities around the world are formulating plans to respond to climate change and adapt to its impact. Often, marginalized urban residents resist these plans, offering “counterplans” to protest unjust and exclusionary actions.

In this book, Kian Goh examines climate change response strategies in three cities—New York, Jakarta, and Rotterdam—and the mobilization of community groups to fight the perceived injustices and oversights of these plans. Looking through the lenses of urban design and socioecological spatial politics, Goh reveals how contested visions of the future city are produced and gain power.

Goh describes, on the one hand, a growing global network of urban environmental planning organizations intertwined with capitalist urban development, and, on the other, social movements that themselves often harness the power of networks. She explores such initiatives as Rebuild By Design in New York, the Giant Sea Wall plan in Jakarta, and Rotterdam Climate Proof, and discovers competing narratives, including community resiliency in Brooklyn and grassroots activism in the informal “kampungs” of Jakarta. Drawing on participatory fieldwork and her own background in architecture and urban design, Goh offers both theoretical explanations and practical planning and design strategies. She reframes the critical concerns of urban climate change responses, presenting a sociospatial typology of urban adaptation and considering the notion of a “just” resilience. Finally, she proposes a theoretical framework for designing equitable and just urban climate futures.

Publiek Risico: Essays

Breda, 16 augustus 2020. Dit e-boek Publieke Risico Essays bevat een collectie van 75 essays, geschreven door publieke leiders, managers, adviseurs, experts en wetenschappers. Selectie en curatie door Eric Frank en Jack Kruf. Dank aan alle auteurs, organisaties en uitgevers voor het beschikbaar stellen van deze essays.

Een boek om uw kennis te verrijken en uw inzichten te verdiepen. Het telt 723 pagina’s lezenswaardig materiaal met betrekking tot de publieke besturing van waarden en risico’s.

Het boek bevat een caleidoscopisch overzicht en bestrijkt de periode 1995-2020. Beoogd wordt om de ontwikkeling van het vakgebied ‘publiek risicomanagement’ – als relatief nieuw vakgebied binnen het bredere perspectief van publieke (be)sturing -nader te duiden en de zoektocht naar acceptatie ervan door bestuur en management – als logische bijdrage aan resultaat en succes – in beeld te brengen.

Deze collectie wordt uitgebracht voor bestuurders, managers, adviseurs, wetenschappers, docenten en studenten. Het wordt gebruikt voor onderwijsdoeleinden.

Inleiding
De beginselen van risicomanagement liggen besloten in elk ecosysteem en zijn voor wat de mens betreft zo’n 300.000 jaar oud. Elk mens heeft in zijn hersenen de vroege ontwikkelingsstadia nog opgeslagen. Om te overleven als groep of als individu. Het kwam ons voor dat deze basisprincipes voelbaar zijn in de gedachten verwoord in deze selectie van essays. Veel ervan is wezenlijk.

Nu, anno 2020, kijken wij slechts een stukje terug. Gedurende 15 jaar (periode 2006- 2020) zijn wij afwisselend verantwoordelijk geweest voor de oprichting, besturing en management van de Nederlandse tak van PRIMO, de Public Risk Management Organisation. Een mooi moment om een selectie van essays te presenteren, dat een beeld geeft van het ontstaan, de werking en de ontwikkeling van het vak risicomanagement.

Het is een persoonlijke selectie, waarbij in onze ogen de diverse invalshoeken van het vakgebied het sterkst worden geëtaleerd. Het is een selectie, waarvan wij weten dat wij mensen tekort doen, natuurlijk. Maar de keuze voor een beperkte set van essays en pagina’s dwingt om te kiezen. Het zijn 75 essays en 723 pagina’s. Gebundeld in dit e-boek.

Risicomanagement is als vak zo oud als de weg naar Rome (en eigenlijk veel ouder zoals hierboven reeds geduid), maar het startpunt voor Nederland wordt gelegd in 1995, in de aanloop naar het proces waarbij de rijksoverheid in Nederland de eerste zaadjes plantte. Niet echt voor zichzelf, nee niet echt, maar om een construct te bedenken waarbij zij taken kon decentraliseren naar lagere overheden en vervolgens om toezicht op de uitoefening af te dwingen. Afstoten dus en erop toezien dat het goed gaat. Een bijzondere reden dus, die niet zozeer de publieke zaak vooropstelt maar eerder het mechanisme van controle. Dat is het eerste dat opvalt. 25 jaar risicomanagement.

De selectie van artikelen geeft de duiding van deze aanpak weer, laat ook zien dat vele experts en wetenschappers er veel nieuwe ideeën op hebben ingebracht, maar de rijksoverheid is qua standpunt en aanpak in die 25 jaar eigenlijk niet van gedachten veranderd. Er is eigenlijk de paragraaf weerstandsvermogen als enig echte kader. Daar wordt weliswaar wettelijk aan voldaan, maar veel gemeenten passen het nauwelijks toe als echt sturingsinstrument.

Wat opvalt is ook dat de gemeenten, provincies en waterschappen eigenlijk in het geheel nog niet georganiseerd zijn op dit punt, ook niet na 25 jaar. Iedereen werkt met een eigen aanpak, met eigen raamwerken, modellen, adviseurs en zelfs eigen wetenschappers. Er is nauwelijks sprake van een corporate kader waarmee door gemeenten, provincies en waterschappen wordt gewerkt.

Pas 25 jaar nadat het rijk de beslissing nam om zo te gaan werken, tonen de koepelorganisaties, zij het mondjesmaat – incidenteel, op projectbasis en meestal facilitair – een teken van leven op dit punt. Dat is merkbaar in de selectie. Essays hiervan ontbreken. De essays komen met name van enkele front runners in het publieke domein, wetenschappers of extern adviseurs.

Eigenlijk, concluderen wij, is er na 25 jaar weinig nieuws onder de zon. Veel boeken, artikelen, software, debatten, diversificatie en eigen winkels, maar in de kern draait alles nog steeds om dat ene principe van toezicht. De enige echte beleidslijn in al die jaren is het weerstandsvermogen. Er zijn gelukkig pogingen van experts om corporate risk governance op een hoger planniveau te krijgen. Een zoektocht van het openbaar bestuur zelve kent een zeer matig resultaat. Risicomanagement is niet geland, het is voor veel bestuurders en topmanagers een fremdkörper. Het is geen sturingsinstrument geworden om scherp aan de wind te zeilen, te innoveren, vooruit te zien. Het is een moetje, ja soms zelfs een wassen neus.

Risicomanagement is nog steeds een duwmodel, eigenlijk een ongewenst kindje van de overheid, waarin adviseurs en commerciële partijen natuurlijk voor een frisse wind hebben gezorgd, maar ook waarin zij met bijzondere ideeën, benaderingen en modellen kwamen aanzetten. En vooral de diversiteit aan begripsduiding en -uitleg is enorm. Het lijkt een vervuild begrip geworden, een container. Dit zorgt voor grote verwarring en hap-snap business. Daar wringt hem de schoen met betrekking tot publiek risicomanagement. Het speelveld is verdeeld en er is geen eenduidige taal.

Onze selectie van artikelen is een oproep om de handschoen nu echt eens op te pakken en voorliggende rijkdom aan kennis en ideeën opnieuw te wegen, te benutten en vooral aan de slag te gaan. Bestuur en topmanagement zijn daarbij aan zet. Daarvoor is wel gezag nodig en vooral draagvlak en consistentie vanuit de top van de ministeries.

Na 25 jaar zijn wij nog steeds een beetje waar wij 25 jaar geleden waren: de meeste bestuurders en topmanagers voelen er helemaal niets voor om dit vak professioneel te adopteren. Hun uitleg is dat het negatief is, remmend, niet motiverend, mijdend. Natuurlijk is dit onzin, maar goed de beleving is soms sterker dan de werkelijkheid. De kern van het vak wordt willens en wetens niet begrepen. Er is werk aan de winkel, veel, jawel heel veel. Deze selectie bevat daarvoor de ingrediënten.

Voor u ligt een reis van meer dan 25 jaar, die ook laat zien dat goede ideeën zijn gelanceerd en dat vele pogingen zijn ondernomen om het vak te verbreden en om het volwassen te laten worden. Een deel daarvan is in onze ogen het waard om gedeeld te worden en verdient om op de tekentafel te brengen bij de doorontwikkeling van het vak. Wij wensen u leesplezier én inspiratie.

Forests Adrift

Book by Charles D. Canham*

Currents Shaping the Future of Northeastern Tree
A captivating analysis of the past, present, and future of northeastern forests and the forces that have shaped them. “Charlie Canham takes us on an inspiring walk through the past, present, and future of northeastern forests, with the wisdom of a lifelong forest scientist and the wonder of a naturalist.  Incredibly readable and insightful.”—Indy Burke, Carl W. Knobloch. Jr., Dean, Yale School of Forestry and Environmental Studies.

Named a “Best Book of 2020” in the history category by Bloomberg BusinessWeekIngrid Burke, Dean of Yale School of the Environment:

“I found this book to be like a walk in the northeastern woods with an observant naturalist and scientist. These forests are case studies for the myriad of environmental changes facing all our global ecosystems: invasive species, disease, air pollution, climate change, and the ever-present human impacts. Canham provides both objective and optimistic views of the present and future of these resilient systems.”

The northeastern United States is one of the most densely forested regions in the country, yet its history of growth, destruction, and renewal are for the most part poorly understood—even by specialists. In this engaging look at both the impermanence and the resilience of the northeastern forest ecosystems, Charles D. Canham provides a synthesis of modern ecological research and explores critical threats that include logging, fire suppression, disease, air pollution, invasive species, and climate change.

Providing a historical perspective on how northeastern forests have changed since the arrival of European settlers, Canham also utilizes new theoretical models to predict how these ecosystems will change and adapt to an uncertain future. This is an informed and accessible investigation of an endangered natural landscape that examines the ramifications of the scientific controversies and ethical dilemmas shaping the future of northeastern forests.

*Charles D. Canham is senior scientist at the Cary Institute of Ecosystem Studies in Millbrook, New York.

Source: Yale University Press

L’ architecture de la forêt guyanaise

Profile of a patch of forest of about 30 X 40 m in the Saül region, at an altitude of 285 m. Thick line: trees of the whole of the present; dotted and shaded: trees of the future set; thin line: standing or fallen trees from the past as a whole; thick dotted line: trees outside the plot. Structural sets at about 15 m, 40 m and 55 m. By Oldeman (1974)

Cet ouvrage a fait l’objet d’une thèse soutenue le 16 décembre 1972 à l’Université des Sciences et Techniques du Languedoc pour obtenir le grade de Docteur ès Sciences Naturelles, with highest honours (summa cum laude).

“The book concludes with an attempt to interpret forest profiles drawn, by some of its predecessors, in various tropical or extratropical regions. Most of all, I found from this essay the inadequacy of the profiles in question, no doubt excellent at the time they were sketched, but incomparably less accurate and less representative than those of Oldeman…

…The main thing in Oldeman’s work is that he created a methodology made up of a whole set of perfectly articulated morphogenetic, ecological and physiological concepts allowing the structural analysis of the populations of trees, mostly dicots, in all regions of the world. A recent, unpublished essay by the author on a Massachusetts forest showed that it is possible, by the methods tried in Guyana, to explain it and to understand the profound differences distinguishing it from equatorial forests. The flexible and adaptable character of the oldemanian system is thus highlighted. This work, which testifies to a very imaginative and creative spirit, is called to a great resonance.”

George Mangenot


Oldeman summarises on p.78:

“The forest is characterized by its trees. In the first part, we examined the rules to which tree growth obeys, expressed in an architecture peculiar to each species, but whose principle can be identified in relation to some twenty tree models. These criteria make it possible to distinguish three sets of forest trees. The whole of the future includes young trees, who, conforming to the initial model, often regenerated, will give structure to the future forest. The whole of the present brings together the trees having reached, by an abundant reiteration and growth in thickness, their maximum biomass and which determine the current architecture of the forest; the whole present is subdivided into structural sets at different heights. Forest architecture is stratified; the relative density of the trees in each set determines the good or bad visibility of “strata.” Lastly, the whole of the past includes trees in the process of being eliminated, traces of previous structures more or less blurring the architecture of the present…

… A fourth forest complex is clearly visible in the windfall. It brings together the seeds and active meristems, in contrast with forest layers where these organs are mostly latent. It is worth remembering that seeds and active meristems are the exclusive producers of forest biomass; they form the entire infrastructure of the forest.”

Oldeman on p.81:

“The survey of a profile and a plan of a forest plot in the described biotope was carried out without taking into account the undergrowth, in a layer less than ten meters, because we are studying the framework of the architecture forestry. This is why the parcel was chosen in a place where the undergrowth had been recently removed for the entomological mission. The area of ​​the plot was approximately 30 X 40 meters, more than sufficient for an architectural study of the forest, the structural continuity of which outside the plot was easy to verify by direct observation. It goes without saying that this method cannot be applied during an inventory targeting another aspect of the forest, such as phytosociology, floristics or forest size.

The plot plan was established by locating the topographical position of the trunks of all the trees and estimating the extent of the projection of their tops on the ground. The diameters of the trunks and the dimensions of any buttresses were measured at the same time and entered on the blank. The heights – total height, free trunk – were then determined using a Blume-Leiss dendrometer. Finally, sketches of the architecture of each tree were made in the field; their perspective deformations were corrected, using height measurements, on the final profile).”

Oldeman, R.A.A. (1974a, 2nd ed.). L’architecture de la forêt guyanaise. Mémoires ORSTOM, 73.

Oldeman l’architecture de la forêt Guyanaise

De structuurverandering van het publieke domein

Jürgen Habermas

In dit klassieke werk uit 1962 ontwikkelt Jürgen Habermas zijn theorie over het publieke domein. Volgens Habermas is dit een ruimte waarbinnen rationele discussies kunnen worden gevoerd, vrij van inmenging van de staat en andere dwingende machten.

Habermas beschrijft hoe deze sfeer zijn opgang deed in de bourgeoismaatschappij van de achttiende eeuw, toen koffiehuizen en salons het toneel werden van discussies over sociale en politieke vraagstukken.

De druk van het kapitalisme, massamedia en het totalitarisme op het publieke domein
In latere jaren kwam het publieke domein steeds verder onder druk te staan door de toegenomen rol van het kapitalisme en de daarbij horende nadruk op het eigenbelang. Vervolgens werd het steeds verder uitgehold door de massamedia, de opkomst van het totalitarisme de vervagende grenzen tussen het private en de staat.

Van pessimisme naar oplossing
Na het ontvouwen van dit pessimistische perspectief biedt Habermas de weg naar een oplossing: een machtsvrije wijze van communicatie. De structuurverandering van het publieke domein staat daarmee aan de basis van zijn latere, invloedrijke werk.

Oorspronkelijke titel: Strukturwandel der Öffentlichkeit
Vertaling: Jabik Veenbaas

Organisatienetwerken

Door Patrick Kenis en Bart Cambré

De organisatievorm van de toekomst
In onze veranderende wereld kunnen complexe problemen enkel aangepakt worden als organisaties samenwerken. Individuele organisaties zijn niet in staat om deze complexiteit het hoofd te bieden. Ze moeten hun expertise noodgedwongen verbinden aan die van andere en maken hierdoor steeds vaker deel uit van organisatienetwerken. In dit boek verkennen we de fascinerende wereld van organisatienetwerken. Hoe en waarom moeten we steeds vaker streven naar iets dat onze eigen organisatie overstijgt?

Op basis van de meest recente wetenschappelijke inzichten, die de auteurs vaak zelf verzameld hebben, komen alle belangrijke bouwstenen van organisatienetwerken aan bod. Wanneer moet je een organisatienetwerk oprichten en wanneer niet? Hoe doe je dat dan? Wat zijn de valkuilen en hoe kan je hiermee omgaan? Hoe evalueer je op een eenvoudige manier de werking van je organisatienetwerk?

Het vraagt kennis en kunde om organisatienetwerken te doen slagen. Dit boek biedt je via talrijke voorbeelden en begrijpelijke inzichten de mogelijkheid om ook jouw organisatienetwerk te bouwen en evalueren.

Uitgegeven door Pelckmans Pro

50 ans d’explorations et d’études botaniques en forêt tropicale

Hallé, F. (2016). 50 ans d’explorations et d’études botaniques en forêt tropicale. Plaissan, Languedoc-Roussillon: MUSEO. p.368.

Cet ouvrage de Francis Hallé offre enfin à chacun la découverte de la diversité de son approche du dessin. Les botanistes connaissent les dessins schématiques très formels des modèles architecturaux, qui ont fait la gloire de Francis et de Roelof Oldeman depuis 1970.

Dans ces dessins, on reconnaît la position des méristèmes, des feuilles, des fleurs, l’orientation des branches mais pour chacun des modèles, on ne peut reconnaître une espèce d’arbre ni même un quelconque arbre vivant. Et pourtant, chaque botaniste est capable, en observant un jeune arbre vivant, de déduire à quel modèle architectural il se rattache, tel que défini par ces dessins schématiques.

C’est là la grande force de ces dessins qui restituent le vivant sous une forme intellectuellement interprétée. C’est utile, nécessaire, souvent beau mais implacablement froid. Mais dans cet ouvrage, nous retrouvons toute la sensibilité de Francis : les arbres ne sont plus des objets exprimant leur devoir génétique mais ils deviennent des objets animés sous lesquels on voudrait se protéger ou dans lesquels un singe sauterait de branche en branche. Soudain, l’arbre dessiné devient un arbre vivant, avec tous ses accidents, ses branches cassées, ses réactions opportunistes face à la lumière.

Là, dans ses dessins, Francis se libère d’une rigidité dogmatique pour garder sa rigueur scientifique tout en nous immergeant dans la poésie. On retrouve la forêt tropicale et ses arbres, telle qu’elle dut être du temps de l’Eden. Francis aime les arbres, la forêt et les habitants de cette forêt, hommes, oiseaux, insectes, grenouilles, singes… 

Cet ouvrage est un hymne à la plante.” Patrick Blanc

Forest Components

Deliberation of trees. ©J.P. Kruf

Oldeman, R.A.A. , Schmidt, P. and Arnolds, E.J.M. (1990)

Per 1986, the Dutch Minister of Agriculture and Fisheries approved the five-year financial protection of a research theme ‘conservation and use of forest components’. This system of protected funding was meant to improve the quality of University research, in particular by stimulating researchers in related fields but from different University Departments to work on a common theme of their choice. Existing scientific lines of these researchers were thought to gain plus-value by intensifying contacts with others, by exposing them to discussions yielding new view points, and finally to allow them to adjust their research more closely to a common goal.

All those who know the busy University schedules and the growing restrictions on effective researchtime, i.e. time not limited to isolated half hours between teaching and meetings, understood that the implementation of these splendid aims of oriented cooperation would cost time and go slowly. One of the ways in which Universities can correct this is the choice of appropriate subjects for graduate studies, and this has been systematically promoted for ‘Forest Components’ since years before the official programme was started.

Oldeman et al. (1990): “The group that was responsible for the forest components theme decided to accelerate the process by starting an ambitious project, the writing of a common book. There is no way in which cooperation can be stimulated better, but this way has to be learned and practised too. The result is now before you.

The book is not yet ideal in our opinion because it still contains too many traces of the old University tradition of researchers working, each apart, on such narrow subjects as they know best.

This way of executing the research of course is necessary to reach sufficient depth. But it carries the risk of loss of vision of the whole system, parts of which are studied. Still a little bit unbalanced, but on its way to improve along lines that are more clear now, this presentation in a pluridisciplinary way is a first step, however, to overcome both the limits of individual researchers and the shallowness of groups.

We trust, however, that it is exactly this wrestling with integration of broad views versus the deepening of restricted views that may be as interesting to the reader as the facts, figures, conclusions and hypotheses on forests and their components which are presented in the following pages. On the brink of the last decennium of this century, it is hoped that this book may find its way to both specialists and generalists, and that most of its contents may also be of significance for the European forest managers.”

Oldeman et al. (1990, p.8): “It is therefore proposed to reserve the notion of ‘pattern’ or in any case ‘architecture’ (Hallé & Oldeman, 1970) of systems to properties that can be directly seen and mapped, being linked to objects occupying a three-dimensional volume. Even if mapping or plotting are automatic, potential visibility by eye is a good criterion to end confusion. Architectural patterns, according to Hallé et al. (1978) are instant pictures. Their change may be indicated as dynamics (Hallé et al., 1978; Fanta, 1986). Dynamics are not processes, if the notion of process is reserved for underlying, organized movements at hierarchical levels deep within the system considered, such as energy and matter processing in photosynthesis or maintenance respiration (cf. Mohren, 1987).”

Bibliography
Fanta, J. (ed.) (1986). Forest dynamics research in Western and Central Europe. Wageningen: Pudoc, p.320.

Hallé, F. and Oldeman, R. (1970). Essai sur l’architecture et la dynamique de croissance des arbres tropicaux. Paris: Masson & Cie, p.178.

Hallé, F., Oldeman, R. and Tomlinson P. (1978). Tropical trees and forests: an architectural analysis. Heidelberg: Springer, p.441.

Mohren, G. (1987). Simulation of forest growth, applied to douglas fir stands in The Netherlands. D.Sc. thesis, AUW Theor. Prod. Ecology/Silvic. & For. Ecology, Wageningen, p.183.

Oldeman, R., Schmidt, P. and Arnolds, E. (1990). Forest components. Wageningen: Wageningen Agricultural University Papers, ISSN0169-345X; 90-6, 111 pp. https://edepot.wur.nl/282842.

Five thousand years of sustainablity?

A case study on Gedeo Land use (Southern Ethiopia).

Civitas Naturalis: “A remarkable study, pointing strongly in the direction towards not a rethinking per se but more towards accepting and remembering proven technologies in restructuring our food production, this in the light of the Sustainable Development Goals (SDG 12 Sustainable consumption and production).”

Plate 5.4. An example of a mixed species uneven-aged Gedeo “agroforest” from the lowlands (Tumaata-Cirrachcha area). Note the emergent and majestic Ficus sp. MORACEAE (xillo qilxxa) tree, shading an area of about 0.2ha. Photo by the author (2000),fromtheTumaata-Cirrachchaareaabut 1680masl,alowlandzone. © Kippie Kanshie.

The idea for the present work was initiated in 1993, in the period between February and April, when I was following the MSc course Forest Ecology, delivered by Professor R.A.A. Oldeman, of the Department of Forestry, Wageningen Agricultural University. While following the course, I was pondering upon a would-be subject and almost too late when I came up with the idea of studying the age-old “agroforestry” system of the Gedeo. My supervisor, Ir. van Baren, specializing in Forest Protection, thought that the topic was not her field of expertise and recommended me to Professor R.A.A.Oldeman, who at the time was heading the Silviculture and Forest Ecology Lab.

Gedeo land use incorporates mechanisms, which, as we saw, have indeed enabled them to sustain an average 500 persons/km2 during 5000 years. The basic feature of the Gedeo design is, that yield is maintained at a constant, millenary level, below the maximum yield that could be artificially achieved. (Kippie Kanshie, 2002, p. 126)

This book presents a case study of an ancient land-use practice that feeds over 450 people/km2 in a mountainous tropical region without terracing, tilling or agrochemical inputs. In this case study of a staple crop ensete, soil fertility and a strong performance in security of production are retained.

The author argues that food and production security are largely safeguarded by maintaining a complex, multi-rotational system with high biodiversity. The crop ensete plays a key-role as a pacemaker species. Its cultivation in different climactic zones and its processing are described.

Conclusions include: ensete, even at the present unimproved state, yields more useful biomass than any other crop plant currently promoted in Ethiopia and that ensete plays a significant role in the maintenance of the production base, deriving from its architecture which helps it to buffer against destabilising factors as well as to accompany other crops so far neglected in research.

This provides the key for sustainability of ensete land use over millennia. Ensete represents a potential solution to the recurring food crises in most parts of the erosion- and drought-prone Ethiopian highlands. Future challenges for donors and policy makers: now the yielding potential of ensete is proven, only cultural barriers remain to its development. This is the challenge to agricultural professionals and also to the international community that want to assist Ethiopia in its efforts towards food security.

Bibliography

Kippie Kanshie, T. (2002). Five thousand years of sustainability?: a case study on Gedeo land use (Southern Ethiopia). Wageningen, Wageningen University. Promotor(en): R.A.A. Oldeman, E.A. Goewie, P.C. Romeijn. – S.l. : S.n. – ISBN 9789058086457 – 295 pp. https://library.wur.nl/WebQuery/wurpubs/fulltext/198428.

Tropical Trees and Forests: An Architectural Analysis

Hallé, F., Oldeman, R. A. A. & Tomlinson, P. B. (1978). Tropical Trees and Forests — An Architectural Analysis. XVII + 441 pages, 111 figs., 10 tables. Berlin‐Heidelberg—New York, Springer‐Verlag. ISBN 3‐540‐08494‐0. https://link.springer.com/book/10.1007/978-3-642-81190-6

Preface: “This book is not an exhaustive survey of known information in the manner of a text-book – the subject is much too big for this to be possible in a relatively concise volume – but presents a point of view. We are concerned ultimately with the analysis of tropical ecosystems, mainly forests, in terms of their constituent units, the individual trees. Many different approaches are possible in the analysis of tropical forests. A simple one is to treat the trees as obstacles which in a military sense intercept projectiles or are a hindrance to foot soldiers (Addor et al., 1970). A similar ap- proach might be adopted by an engineer confronted by a forest which has to be removed to permit road construc- tion. The timber merchant is concerned with the ability of a forest to yield saleable lumber. The interest here is in the size of the larger trunks with some concern for the kinds of trees.

At a less destructive level the scientist aims to comprehend the forest from many different points of view. The forester himself, in conjunction with the taxonomist, will wish to analyze the floristic composition of the forest and perhaps account for species diversity in an evolutionary time scale (e.g., Fedorov, 1966; Ashton, 1969). The evolutionary biologist in his turn may be concerned with reproductive strategies in forest trees (e.g., Bawa, 1974), especially in a comparative way.

The approach adopted by the ecologist offers the greatest scope, since he may combine several different methods of analysis. Much research has gone into the physiognomy of tropical forests, size distribution of trees, stratification, diversity in relation to soil type or soil moisture content and has been summarized recently by Rollet (1974). Phenological studies of tropical forests have produced a great deal of data which reveals the extent to which flower- ing, fruiting and leaf fall mayor may not be seasonal (e.g., Coster, 1923; Holttum, 1940, 1953; cf. also Lieth, 1970). The production ecologist is interested in the forest as an efficient system for light interception and yield of dry matter, both in a relative and a comparative way (e.g., Kira, 1978; Kira et al., 1964, 1969; Monsi et al., 1973; Bernard – Reversat, 1975). Photosynthetic efficiency in terms initially of leaf and branch orientation but ultimately in competitive ability is another stimulating approach which is summarized in the description of trees as “crafty green strategists” (Horn, 1971).

A universal tendency in these approaches is to treat trees as equivalent units – as taxonomic, physiological, reproductive units and so on. Much less attention has been given to the trees in the forest as individuals. This is our approach. However, we do not merely regard trees as individuals at one point in time, but as genetically diverse, developing, changing individuals, which respond in various ways to fluctuations in climate and microclimate, the incidence of insects, fungal and other parasites but particularly to changes in surrounding trees. The tree is then seen as an active, adaptable unit and the forest is made up of a vast number of such units interacting with each other.”

Read more