L’ architecture de la forêt guyanaise

This work was the subject of a thesis defended on 16 December 1972 at the University of Sciences and Techniques of Languedoc by ir. Roelof A.A. Oldeman, to obtain the grade of Doctor of Natural Sciences. He received it, this with highest honours (summa cum laude). Top scientist George Mangenot expressed his honour as follows.

“The main thing in Oldeman’s work is that he created a methodology made up of a whole set of perfectly articulated morphogenetic, ecological and physiological concepts allowing the structural analysis of the populations of trees, mostly dicots, in all regions of the world. A recent, unpublished essay by the author on a Massachusetts forest showed that it is possible, by the methods tried in Guyana, to explain it and to understand the profound differences distinguishing it from equatorial forests. The flexible and adaptable character of the oldemanian system is thus highlighted. This work, which testifies to a very imaginative and creative spirit, is called to a great resonance.”
 
Profile of a patch of forest of about 30 X 40 m in the Saül region, at an altitude of 285 m. Thick line: trees of the whole of the present; dotted and shaded: trees of the future set; thin line: standing or fallen trees from the past as a whole; thick dotted line: trees outside the plot. Structural sets at about 15 m, 40 m and 55 m Oldeman (1974).

Oldeman summarises on p.78 one of his core conclusions after years of research: “The forest is characterized by its trees. In the first part, we examined the rules to which tree growth obeys, expressed in an architecture peculiar to each species, but whose principle can be identified in relation to some twenty tree models. These criteria make it possible to distinguish three sets of forest trees:

    • The whole of the future includes young trees, who, conforming to the initial model, often regenerated, will give structure to the future forest.
    • The whole of the present brings together the trees having reached, by an abundant reiteration and growth in thickness, their maximum biomass and which determine the current architecture of the forest; the whole present is subdivided into structural sets at different heights. Forest architecture is stratified; the relative density of the trees in each set determines the good or bad visibility of “strata.”
    • Lastly, the whole of the past includes trees in the process of being eliminated, traces of previous structures more or less blurring the architecture of the present.

It is worth remembering that seeds and active meristems are the exclusive producers of forest biomass; they form the entire infrastructure of the forest

A fourth forest complex is clearly visible in the windfall. It brings together the seeds and active meristems, in contrast with forest layers where these organs are mostly latent. It is worth remembering that seeds and active meristems are the exclusive producers of forest biomass; they form the entire infrastructure of the forest.”

Oldeman explains his way of working on p.81: “The survey of a profile and a plan of a forest plot in the described biotope was carried out without taking into account the undergrowth, in a layer less than ten meters, because we are studying the framework of the architecture forestry. This is why the parcel was chosen in a place where the undergrowth had been recently removed for the entomological mission. The area of ​​the plot was approximately 30 X 40 meters, more than sufficient for an architectural study of the forest, the structural continuity of which outside the plot was easy to verify by direct observation. It goes without saying that this method cannot be applied during an inventory targeting another aspect of the forest, such as phytosociology, floristics or forest size.

The plot plan was established by locating the topographical position of the trunks of all the trees and estimating the extent of the projection of their tops on the ground. The diameters of the trunks and the dimensions of any buttresses were measured at the same time and entered on the blank. The heights – total height, free trunk – were then determined using a Blume-Leiss dendrometer. Finally, sketches of the architecture of each tree were made in the field; their perspective deformations were corrected, using height measurements, on the final profile).” Ω


Bibliografie

Oldeman, R.A.A. (1974a, 2nd ed.). L’architecture de la forêt guyanaise. Mémoires ORSTOM, 73.

Download L’architecture de la forêt guyanaise (french)

It is this dissertation Oldeman invented, in fact designed an advanced, innovative and integrated approach of diagnosing the forest. The reinvention of  these geometrical transects are groundbreaking. They supply us with insights in the dynamics of the forest. The factor ’time’ has been brought in. The strength of the transect was underlined by the strong visual recognition of these forest maps by the local indigenous people. They were able to exactly pinpoint the habitats and niches for numerous specious living in the forest. Remarkable.

And into the forest I go

And into the forest I go, to lose my mind and find my soul.John Muir, Naturalist

 

John Muir (1838 – 1914) is counted among the greatest naturalists. He – born in Dunbar, East-Lothian, Scotland – was an early advocate of the preservation of wilderness.

Picture: Ivan Shishkin (1898) Mast tree grove [oil on canvas]. St. Petersburg, Russia: The State Russian Museum.

Transect: innovatie in diagnose

Oldeman et al. (1983) licht de nieuwe aanpak van studie naar het bos toe en gaat in op de oorsprong, aanpak en de intentie van de methode van transectenanalyse. Het gaat in feit in op een langere geschiedenis van traditionele mens- naar ecosysteem gedreven methoden. Elke tijd heeft haar  tijdsgeest met eigen denkwijzen en aannames. Het genoemde artikel geeft een iconisch tijdsbeeld van de overgang tussen deze twee werelden, waarin wij ons thans bevinden. 

Oldeman et al. (1983): “Gedurende ruim twee eeuwen bosbouwkundig beheer en onderzoek zijn allerlei methoden ontwikkeld om momentopnamen van bos te maken en vast te leggen. Op basis van zulke gegevens moesten de geschiktheid van bos voor bepaalde functies en de prognoses voor de bosontwikkelingen worden vastgesteld. Vooral in de eerste van deze twee eeuwen lag er een zwaar accent op herstel van gedegradeerde bossen en op houtproduktie in een nogal houtarm geworden West Europa. Daarom kwam bij de meettechnieken het zwaartepunt te liggen bij houtvolume en aanwas van bomen. De resultaten werden en worden meestal vastgelegd in statistische kengetallen, zoals stamtal, opperhoogte, gemiddelde hoogte, gemiddelde diameter al dan niet met spreiding of “range”, grondvlak, volume of lopende en gemiddelde aanwas. Daarnaast worden grootheden als kroonbedekkingsgraad, mengverhouding in meersoortige bossen of diameterverdeling in uitkapbossen bepaald…. 

Al deze kengetallen ontlenen hun zin aan de veronderstelling dat het beschreven stuk bos voor wat betreft de gemeten kenmerken homogeen is. Voor zo’n stuk bos is dan een dergelijk kengetal representatief. Ditzelfde geldt mutatis mutandis voor de klassieke vegetatieopnamen, berustend op soortenlijsten, -frequenties en bedekkingsgraden zoals volgens de methoden die stoelen op de denkbeelden van Braun Blanquet. Diens derde opvolger in Montpellier, Godron, worstelde een heel proefschrift lang met de statistische definitie van het vegetatieoppervlak waarvoor zulke gegevens representatief zijn, en dat dus homogeen mag worden geacht (Godron, 1971).”

Fases van ontwikkeling (Oldeman, 1974)

Bomen in verschillende groeifasen spelen verschillende rollen in de architectuur van het hier geschematiseerde “rijpe” of biostatische loofbos. De heersende bomen (dikke lijnen) bepalen de architectuur in structuurlagen. De potentiële bomen (gestippeld) ondergaan deze laging en bepalen hem niet. Noot geassocieerde levensvormen. (Oldeman, 1974)

 Trees in different growth phases play different roles in the architecture of a steady-state forest. Dominant trees (thick lines) determine a layering by structural sets. Potential trees (stippled) undergo this structure and do not determine it. Note associated life forms. (Oldeman, 1974)


“Meer en meer stuit men thans op situaties waarin de beschouwde bosobjecten heterogeen zijn waar het belangrijke kenmerken en eigenschappen betreft. Die heterogeniteit kan berusten op wanorde (“verstoring”), zoals bij schade door wind of vuur, of op structuur. Deze twee zijn niet onafhankelijk, omdat veel bosstructuren op bepaalde schalen juist het antwoord zijn op wanordelijke gebeurtenissen. Levende structuren worden echter, in tegenstelling tot de resultaten van verstoringen gekenmerkt door het feit dat ze gegroeid zijn. Groei is georganiseerd. Of het nu om een boom of een bosperceel gaat, bepaalde goed te definiëren processen regelen de groei, en daarmede ook de structuur op elk gegeven moment van ontwikkeling.”

“Groei is georganiseerd”

“Hier doet zich de behoefte voelen aan opnamemethoden die aan de heterogeniteit recht doen, die informatie verschaffen over variatie en die het specifieke vastleggen. Vooral in bossen komt men dit probleem steeds vaker tegen. In Nederland hangt dit dikwijls samen met de ontwikkeling van bossen die volgen op één of meer generaties pioniers. Waar beschermende functies of de aanwezigheid van ecologische variatie, van betekenis voor de nisvorming voor soorten, in het geding zijn is informatie over heterogeniteit, structuur en groeiprocessen gewenst. Deze zaken zijn niet zo zeer verbonden met de massa per hectare in een bos als wel met de gestructureerde verdeling van deze massa tussen planten en dieren….”

“.. Hier is dan ook voortgeborduurd op de transectanalyse met als oudste voorbeeld het bekende transectschema van Kraft (1884, zie Houtzagers, 1956, p. 257). Sedert Richards (1952) aan verscheidene tropische bostransecten (“profile diagrams”) wijde bekendheid gaf is duidelijk geworden dat er heel veel gemaakt zijn (zie ook Rollet, 1974). In principe beogen alle auteurs die transecten geproduceerd hebben, inzicht te geven in het bos. Dat doen ze enerzijds via kengetallen, maar anderzijds ook, indien een bepaalde vraagstelling dat eist, via grafische methoden. Deze hebben in beginsel veel gemeen met de werkwijzen die vanouds in de microscopie zijn gebruikt. Zoals onder het microscoop een plakje weefsel wordt gemeten en getekend, zo vertegenwoordigt een transect een plakje bos. En evenmin als men bij het ontwerpen van een gegeneraliseerd beeld van de bouw van een weefsel de gevonden celsoorten homogeen dooreen mengt, zo min mag men bij een totaalbeeld van een bos de elementen (bomen, struiken en onkruiden) losmaken van de structuur waarin ze aangetroffen worden.

“Zoals onder het microscoop een plakje weefsel wordt gemeten en getekend, zo vertegenwoordigt een transect een plakje bos”

Een transect kan op allerlei manieren worden weergegeven. Langs een lijn of strook door het landschap kan men bijvoorbeeld de soorten rangschikken die van meter tot meter gevonden worden, of de biomassa schatten. Dit levert soortenlijsten of biomassagrafieken uitgezet tegen één ruimtelijke coördinaat. Het is duidelijk dat dit voor planten wel, maar voor dieren geen betekenis heeft. Voegt men een tweede ruimtelijke coördinaat toe dan ontstaat een oppervlakte. In dat geval worden meestal de resultaten getekend: bij hoogte/afstand ontstaat een profieldiagram, bij breedte/afstand een kaart of plattegrond. Gebruikt men beide tezamen dan ontstaat een drie-dimensionaal beeld van het onderzochte bos: een knap graficus zoals N. Hallé (in Aubréville, 1965) maakt daar één “diepte-beeld” van (fig. 1). Alle tot hier toe opgenoemde resultaten van transectonderzoek zijn momentopnamen.

Een eerste aanzet om ook de tijd, als vierde dimensie mee te nemen, waardoor uit transecten iets over historie en toekomstmogelijkheden kan worden afgelezen, is bijvoorbeeld de analyse door Zukrigl et al. (1963) in oerwoudresten in Neder-Oostenrijk. Deze auteurs geven ook het dode en gevallen hout en de stobben weer, zodat een vroegere toestand via de sporen die hij achterliet kan worden benaderd (fig. 2). Gebruik makend van groeiringanalyse en dood-hout-onderzoek reconstrueerde Oliver (1978) zeventig jaar historie van een eiken-esdoornbos in Massachusetts, in étappes van tien jaar. Deze methode was vanzelfsprekend destructief: het gehele perceel bos moest ervoor worden gekapt (fig. 3). Tenslotte bleek uit het onderzoek door Hallé en Oldeman (1970) en Oldeman (1974) aan tropische bomen, dat niet alleen in de groeiringen maar ook in de morfologische architectuur van de bomen een zeker chronologische boodschap school….”

“…Evenals men in de ontwikkeling van een boom of struik ontwikkelingsétappes kan onderscheiden, zo kan ook in de ontwikkeling van een stuk bos dat op eenzelfde ogenblik aan het verjongingsproces begonnen is, een verjongingseenheid, een serie ontwikkelingsfasen onderscheiden worden. Vanouds zijn die bekend als zaailing-, staken-, boom- en vervalsfase. In feite heeft men weer een opvolging van potentieel, heersend en aftakelend, maar nu op een hogere schaal dan die van de individuele boom.

Om deze duidelijk te onderscheiden gebruiken wij de naamgeving volgens Bormann en Likens (1979): groeiend bos verkeert in een aggradafiefase, of opbouwfase, “volwassen” bos in een biostatische fase (“steady state” is moeilijk vertaalbaar), en vervallend bos in een degradatiefase of vervalsfase. Een en ander is weergegeven op figuur 6. In de aggradatiefase bevat het bos alleen potentiële, soms wat aftakelende bomen en struiken: hier zijn de statistische methoden toepasbaar. De potentiële bomen structureren het bos weinig en concurreren slechts onderling. In de biostatische fase zijn er heersende bomen en struiken die de laging bepalen, potentiële bomen die in een ondergeschikte positie staan te wachten en de effecten van de laging ondergaan, en soms resten van afgetakelde bomen. In deze fase zijn potentiële bomen degenen die nog niet meedoen aan laging. Tenslotte vertoont de degradatiefase veel aftakelende bomen en daartussen potentiële bomen die weer aan de groei zijn, of het nu zaailingen of vroeger onderdrukte schaduwsoorten zijn. Potentiële bomen worden gekenmerkt door een hoge H/D-verhouding; bij heersende bomen is deze duidelijk lager (Oldeman 1974).

Tenslotte kan door middel van deze architectuurtekeningen de ruimtelijke rangschikking worden weergegeven van nissen voor allerlei andere organismen: zwammen, mossen, kruiden en andere kleine zaadplanten, insekten (Stocki, 1981), zoogdieren (Van Vuure, 1983) of vogels (Komdeur en Vestjens, 1982). Maar niet alleen de ruimtelijke verdeling kan worden aangegeven. Ook kan worden voorspeld wanneer zo’n nis tengevolge van de bosontwikkeling verschijnt of verdwijnt. Dit geldt zowel in gevallen waarin de mens niet ingrijpt als in die waarin de mens wel ingrijpt. Deze soort analyse biedt vele praktische mogelijkheden om vragen op allerlei gebied te beantwoorden. Voor het natuurbeheer, in het bijzonder het soortenbeheer, is het van belang te weten waar, wanneer en voor hoelang er levensruimte voor bepaalde soorten te verwachten is. Maar ook wanneer men denkt aan bepaalde opbrengsten in bosteeltsystemen is een duidelijk beeld van de nissen die men voor de betreffende planten moet creëren van groot belang.” Ω


Bibliography

Godron, M. (1971) Essai sur une approche probabiliste de l’écologie des végétaux. Diss. Univ. Montpellier (CNRS nr. AO 2820). 247 p.

Houtzagers, G. (1956) Houtteelt der gematigde luchtstreek (2). Zwolle: Tjeenk Willink. 438 p.

Oldeman, R.A.A. (1974) L’architecture de la forêt guyanaise. Mémoires ORSTOM, 73. p.204.

Oldeman, R.A.A., Westra, J. J.  &  Tenge, O. R. (1983) Bosontwikkelingen, natuurwaarde en transectanalyse. Nederlands Bosbouwtijdschrift: 55-6, p.242-257. Lees meer

Richards, P. W. (1952) The tropical rain forest. Cambridge Univ. Press. 450 p.

Zukrigl, K., Eckhart, G.  & J. Nather, (1963). Standortskundliche und waldbauliche Untersuchungen in Urwaldresten der niederösterreichischen Kalkalpen. Mitt. Forstl. Bundesversuchsanstalt, Wien, nr. 62, 244 p.

Stichting Civitas Naturalis onderkent de transitie van mens- naar ecosysteem-gedreven methoden van diagnose. Zij constateert dat in publieke domein van stad en samenleving de maatschappelijke behoefte hieraan toeneemt. Tegelijkertijd neemt zij waar dat zowel politiek als wetenschappelijk de versnippering en fragmentatie eerder toe- dan afneemt. Een tegengestelde beweging, zo lijkt het. De eigen heterogeniteit en diversiteit van het ecosysteem stad vragen, naar inzicht van de stichting, om verdere afstemming en zelfs om integratie van wetenschappelijke methoden, dit om de juiste (socionomische) diagnose te kunnen stellen. Door middel van de Oldeman Lezing en het raamwerk Cinetone™ wil zij hieraan een bijdrage leveren.

La révélation de leur harmonie (forêts)

Je tâchais de découvrir, dans les bruits des forêts et des flots, des mots que les autres hommes n’entendaient point, et j’ouvrais l’oreille pour écouter la révélation de leur harmonie.Gustave Flaubert (1842)

I tried to discover, in the sounds of the forests and the waves, words that other men did not hear, and I opened my ear to hear the revelation of their harmony.Gustave Flaubert (1842)


Bibliography

Flaubert, G. (1842) Novembre. Online on 21 July 2020: https://fr.wikisource.org/wiki/Novembre_(Flaubert)

Flaubert, G. (2000, ed. Arvensa Editions and Fb Editions). Novembre. Paris: Librairie Générale Française. 123 p.

Gustave Flaubert (December 12, 1821 – May 8, 1880) is counted among the greatest Western novelists. He was born in Rouen, Seine-Maritime, in the Haute-Normandie Region of France.

50 ans d’explorations et d’études botaniques en forêt tropicale

Cet ouvrage de Francis Hallé offre enfin à chacun la découverte de la diversité de son approche du dessin. Les botanistes connaissent les dessins schématiques très formels des modèles architecturaux, qui ont fait la gloire de Francis et de Roelof Oldeman depuis 1970.

Dans ces dessins, on reconnaît la position des méristèmes, des feuilles, des fleurs, l’orientation des branches mais pour chacun des modèles, on ne peut reconnaître une espèce d’arbre ni même un quelconque arbre vivant. Et pourtant, chaque botaniste est capable, en observant un jeune arbre vivant, de déduire à quel modèle architectural il se rattache, tel que défini par ces dessins schématiques.

Cet ouvrage est un hymne à la plante.” – Patrick Blanc

C’est là la grande force de ces dessins qui restituent le vivant sous une forme intellectuellement interprétée. C’est utile, nécessaire, souvent beau mais implacablement froid. Mais dans cet ouvrage, nous retrouvons toute la sensibilité de Francis : les arbres ne sont plus des objets exprimant leur devoir génétique mais ils deviennent des objets animés sous lesquels on voudrait se protéger ou dans lesquels un singe sauterait de branche en branche. Soudain, l’arbre dessiné devient un arbre vivant, avec tous ses accidents, ses branches cassées, ses réactions opportunistes face à la lumière.

Là, dans ses dessins, Francis se libère d’une rigidité dogmatique pour garder sa rigueur scientifique tout en nous immergeant dans la poésie. On retrouve la forêt tropicale et ses arbres, telle qu’elle dut être du temps de l’Eden. Francis aime les arbres, la forêt et les habitants de cette forêt, hommes, oiseaux, insectes, grenouilles, singes… Ω


Hallé, F. (2016). 50 ans d’explorations et d’études botaniques en forêt tropicale. Plaissan, Languedoc-Roussillon: MUSEO. p.368.

A survivor of vast forgotten woods

As they listened, they began to understand the lives of the Forest, apart from themselves, indeed to feel themselves as the strangers where all other things were at home. […] Tom’s words laid bare the hearts of trees and their thoughts, which were dark and strange, and filled with a hatred of things that go free upon the earth, gnawing, biting, breaking, hacking, burning: destroyers and usurpers. It was not called the Old Forest without reason, for it was indeed ancient, a survivor of vast forgotten woods; and in there lived yet, ageing no quicker than the hills, the fathers of the fathers of trees, remembering times when they were lords. The countless years had filled them with pride and rooted wisdom, and with malice.Tolkien (1954)


Bibliography

Tolkien, J. (2014) The Fellowship of the Ring [The Lord of the Rings, part 1, ed. 60]. New York: HarperCollins Publishers.

Forest Components

Oldeman, R.A.A. , Schmidt, P. and Arnolds, E.J.M. (1990)

Per 1986, the Dutch Minister of Agriculture and Fisheries approved the five-year financial protection of a research theme ‘conservation and use of forest components’. This system of protected funding was meant to improve the quality of University research, in particular by stimulating researchers in related fields but from different University Departments to work on a common theme of their choice. Existing scientific lines of these researchers were thought to gain plus-value by intensifying contacts with others, by exposing them to discussions yielding new view points, and finally to allow them to adjust their research more closely to a common goal.

All those who know the busy University schedules and the growing restrictions on effective researchtime, i.e. time not limited to isolated half hours between teaching and meetings, understood that the implementation of these splendid aims of oriented cooperation would cost time and go slowly. One of the ways in which Universities can correct this is the choice of appropriate subjects for graduate studies, and this has been systematically promoted for ‘Forest Components’ since years before the official programme was started.

Oldeman et al. (1990): “The group that was responsible for the forest components theme decided to accelerate the process by starting an ambitious project, the writing of a common book. There is no way in which cooperation can be stimulated better, but this way has to be learned and practised too. The result is now before you.

The book is not yet ideal in our opinion because it still contains too many traces of the old University tradition of researchers working, each apart, on such narrow subjects as they know best.

This way of executing the research of course is necessary to reach sufficient depth. But it carries the risk of loss of vision of the whole system, parts of which are studied. Still a little bit unbalanced, but on its way to improve along lines that are more clear now, this presentation in a pluridisciplinary way is a first step, however, to overcome both the limits of individual researchers and the shallowness of groups.

We trust, however, that it is exactly this wrestling with integration of broad views versus the deepening of restricted views that may be as interesting to the reader as the facts, figures, conclusions and hypotheses on forests and their components which are presented in the following pages. On the brink of the last decennium of this century, it is hoped that this book may find its way to both specialists and generalists, and that most of its contents may also be of significance for the European forest managers.”

Oldeman et al. (1990, p.8): “It is therefore proposed to reserve the notion of ‘pattern’ or in any case ‘architecture’ (Hallé & Oldeman, 1970) of systems to properties that can be directly seen and mapped, being linked to objects occupying a three-dimensional volume. Even if mapping or plotting are automatic, potential visibility by eye is a good criterion to end confusion. Architectural patterns, according to Hallé et al. (1978) are instant pictures. Their change may be indicated as dynamics (Hallé et al., 1978; Fanta, 1986). Dynamics are not processes, if the notion of process is reserved for underlying, organized movements at hierarchical levels deep within the system considered, such as energy and matter processing in photosynthesis or maintenance respiration (cf. Mohren, 1987).”

Bibliography
Fanta, J. (ed.) (1986). Forest dynamics research in Western and Central Europe. Wageningen: Pudoc, p.320.

Hallé, F. and Oldeman, R. (1970). Essai sur l’architecture et la dynamique de croissance des arbres tropicaux. Paris: Masson & Cie, p.178.

Hallé, F., Oldeman, R. and Tomlinson P. (1978). Tropical trees and forests: an architectural analysis. Heidelberg: Springer, p.441.

Mohren, G. (1987). Simulation of forest growth, applied to douglas fir stands in The Netherlands. D.Sc. thesis, AUW Theor. Prod. Ecology/Silvic. & For. Ecology, Wageningen, p.183.

Oldeman, R., Schmidt, P. and Arnolds, E. (1990). Forest components. Wageningen: Wageningen Agricultural University Papers, ISSN0169-345X; 90-6, 111 pp. https://edepot.wur.nl/282842.

A great spiritual power

“From my perspective, I absolutely believe in a greater spiritual power, far greater than I am, from which I have derived strength in moments of sadness or fear. That’s what I believe, and it was very, very strong in the forest.

– Jane Goodall (2017)

Bibliography
Palmer Cooper, J.A. & Cooper, D.E. (2017). Key Thinkers on the Environment. Abingdon-on-Thames, Routledge.

Five thousand years of sustainablity?

A case study on Gedeo Land use (Southern Ethiopia).

Civitas Naturalis: “A remarkable study, pointing strongly in the direction towards not a rethinking per se but more towards accepting and remembering proven technologies in restructuring our food production, this in the light of the Sustainable Development Goals (SDG 12 Sustainable consumption and production).”

Plate 5.4. An example of a mixed species uneven-aged Gedeo “agroforest” from the lowlands (Tumaata-Cirrachcha area). Note the emergent and majestic Ficus sp. MORACEAE (xillo qilxxa) tree, shading an area of about 0.2ha. Photo by the author (2000),fromtheTumaata-Cirrachchaareaabut 1680masl,alowlandzone. © Kippie Kanshie.

The idea for the present work was initiated in 1993, in the period between February and April, when I was following the MSc course Forest Ecology, delivered by Professor R.A.A. Oldeman, of the Department of Forestry, Wageningen Agricultural University. While following the course, I was pondering upon a would-be subject and almost too late when I came up with the idea of studying the age-old “agroforestry” system of the Gedeo. My supervisor, Ir. van Baren, specializing in Forest Protection, thought that the topic was not her field of expertise and recommended me to Professor R.A.A.Oldeman, who at the time was heading the Silviculture and Forest Ecology Lab.

Gedeo land use incorporates mechanisms, which, as we saw, have indeed enabled them to sustain an average 500 persons/km2 during 5000 years. The basic feature of the Gedeo design is, that yield is maintained at a constant, millenary level, below the maximum yield that could be artificially achieved. (Kippie Kanshie, 2002, p. 126)

This book presents a case study of an ancient land-use practice that feeds over 450 people/km2 in a mountainous tropical region without terracing, tilling or agrochemical inputs. In this case study of a staple crop ensete, soil fertility and a strong performance in security of production are retained.

The author argues that food and production security are largely safeguarded by maintaining a complex, multi-rotational system with high biodiversity. The crop ensete plays a key-role as a pacemaker species. Its cultivation in different climactic zones and its processing are described.

Conclusions include: ensete, even at the present unimproved state, yields more useful biomass than any other crop plant currently promoted in Ethiopia and that ensete plays a significant role in the maintenance of the production base, deriving from its architecture which helps it to buffer against destabilising factors as well as to accompany other crops so far neglected in research.

This provides the key for sustainability of ensete land use over millennia. Ensete represents a potential solution to the recurring food crises in most parts of the erosion- and drought-prone Ethiopian highlands. Future challenges for donors and policy makers: now the yielding potential of ensete is proven, only cultural barriers remain to its development. This is the challenge to agricultural professionals and also to the international community that want to assist Ethiopia in its efforts towards food security.

Bibliography

Kippie Kanshie, T. (2002). Five thousand years of sustainability?: a case study on Gedeo land use (Southern Ethiopia). Wageningen, Wageningen University. Promotor(en): R.A.A. Oldeman, E.A. Goewie, P.C. Romeijn. – S.l. : S.n. – ISBN 9789058086457 – 295 pp. https://library.wur.nl/WebQuery/wurpubs/fulltext/198428.