Leren van of door rapporten

Door Mark van Twist, Hans Vermaak, Nancy Chin-A-Fat en Marije Huiting

NSOB essay publiceert ‘Leren van of door rapporten’. Het doet verslag van een concreet onderzoek in de gemeente Rotterdam dat de auteurs deden naar aanleiding van een motie in de gemeenteraad inzake hoeveel de gemeente nou eigenlijk leert van raadsenquêtes en rekenkamerrapporten. Zij lopen de tijdslijn af van aanleiding tot opvolging van onderzoek en reflecteren op wat daarin leren helpt en remt.

Een waardevol maar bij lezing ook een incompleet rapport met meerdere aspecten en nuanceringen in conclusies en aanbevelingen. Het legt niet de vinger expliciet op één zere plek waarom projecten mislopen, zeker niet waar het de eigen rollen en ambities betreft van raad, bestuur, ambtelijke organisatie of zelfs externe spelers en ontwikkelaars. Door de regels heen worden hoger liggende patronen zichtbaar. Deze dient de lezer zelf te concipiëren. Het eigen leervermogen van raad en college wordt aangeraakt maar per saldo buiten beschouwing gelaten.

Kader
De inleiding schetst het kader: “Op 1 oktober 2020 bespreekt de gemeenteraad van Rotterdam het eindrapport van de raadsenquête over het Warmtebedrijf Rotterdam. “Dit rapport maakt een groot gevoel van déjà vu los”, zegt een raadslid dat ook lid was van de onderzoeks­commissie Warmtebedrijf. “Voorzitter, het is niet voor het eerst dat bij grote projec­ ten dit soort dingen mis zijn gegaan en dat we dit type van aanbevelingen voorbij hebben zien komen. We zagen het eerder bij de Museumparkgarage, de Boompjeskade, het Schiekadeblok, het Open Venster en ga zo maar door. Te weinig tegenspraak, te laat escaleren, te veel geloof in het eigen gelijk. Het lijkt er dus op dat dit type aanbevelingen nooit voldoende landt in de organisatie. Er wordt keihard gewerkt en de mensen die het werk doen hebben echt het hart op de juiste plaats. Maar toch zijn de resultaten wat ze zijn. En dat roept de vraag op: wat gaat hier nu mis in de organisatie? Kan dit type aanbevelingen nu wel of niet goed landen in de organisatie? Het beeld ontstaat dat dit type aanbevelingen keurig wordt uitgewerkt, en nog een aantal keer wordt opgevolgd, om vervolgens weer uit het systeem te verdwijnen.”

Het zijn vragen die niet alleen bij het raadslid in kwestie spelen, zo blijkt uit de motie die tijdens diezelfde vergadering op 1 oktober wordt ingediend. In de motie wordt het college verzocht om naar aanleiding van de aanbevelingen van recente enquêterapporten en rekenkamerrapporten een externe audit uit te voeren over het ambtelijk handelen bij complexe projecten. De gemeenteraad wil laten onderzoeken of en hoe het gemeentelijk apparaat geleerd heeft van alle aanbevelingen die in die rapporten zijn gedaan over de ambtelijke organisatie en interne tegenspraak en het tijdig escaleren van problemen. Deze opdracht sluit aan bij de ambitie en de ontwikkeling van de gemeente Rotterdam om een lerende en veerkrachtige organisatie te zijn.

De Nederlandse School voor Openbaar Bestuur is gevraagd de externe audit uit te voeren. Dit essay geeft de bevindingen van het onderzoek weer. Het onderzoek betreft een diagnostische audit, waarbij het gaat om het zoeken naar achterliggende patronen en overwegingen die hardnekkige verschijnselen kunnen helpen verklaren. Een diagnostische audit heeft als doel om niet alleen te constateren of er voldaan is aan een norm (bijvoorbeeld: is een aanbeveling wel of niet overgenomen?), maar ook op zoek te gaan naar achterliggende verklaringen en oorzaken. Het gaat dan dus niet zozeer om oordelen en afrekenen, maar eerder om begrijpen en ontwikkelen.”

Niet compleet
De vraag is echter waarom zaken gebeuren, zoals zij zich voordoen. Wat zijn de achterliggende patronen hiervan? Het essay belicht deze niet overal. Het grip bij het lezen en dus het begrip komt daardoor niet helemaal. Het lijkt wat voorzichtig te zijn geschreven. De gemeenteraad als opdrachtgever blijft zelf buiten schot. Het is goed te bedenken dat zij zelf handelt deels vanuit een coalitierol in het verlengde van het college en deels vanuit een oppositierol. In hoeverre werkt Rotterdam eigenlijk dualistisch? Dit wordt in het essay niet duidelijk. Het woord dualisme valt in het essay één keer: “In de raadsenquêtes en rekenkamerrapporten lijkt de aandacht echter vooral uit te gaan naar het ambtelijk apparaat, terwijl het ook over de raad en andere partijen zou kunnen gaan – zeker waar het interactiespel tussen actoren een belangrijke rol speelt (zoals in de dualistische verhouding tussen raad en college) in het verloop van de casus.”

Stichting Civitas Naturalis: “De eenduidige focus op de ambtelijke organisatie maakt de bruikbaarheid van het essay in wezen beperkt. De politieke krachten blijven te veel buiten schot. De audit is daarmee in feite niet compleet om tot de kern door te dringen. Het gehele besturend systeem dient immers belicht te worden, om de echte antwoorden te kunnen vinden, waarom projecten mislopen. De versnippering van de portefeuilles, de discontinuïteit van raad- en collegesamenstelling, de checks & balances tussen raad en college, de werking van het duaal bestel, het zijn de kernzaken van het openbaar bestuur. Nu wordt slechts gekeken naar de ambtelijke organisatie. Dat is te beperkt. Integrale en holistische principes zouden aan de basis moeten liggen van een systemische diagnose.

De conclusies van de Rekenkamer Rotterdam in het rapport ‘publieke waarde in de knel‘ zijn niet meegenomen in dit onderzoek. Dit samenvattend rapport (quote website: “de rekenkamer heeft onderzocht welke inhoudelijke overeenkomsten (‘rode draden’) er te vinden zijn in de conclusies van 42 rekenkamerrapporten die de rekenkamer sinds 2009 tot en met begin 2019 heeft gepubliceerd over de gemeente Rotterdam. Dit rapport beschrijft de uitkomsten van dat meta-onderzoek.”) is niet meegenomen. De vraag is waarom niet. Het bevat immers zeer concrete conclusies en aanbevelingen.”

Form and Flow

Kian Goh | MIT Press

An examination of urban climate change response strategies and the resistance to them by grassroots activists and social movements.

Cities around the world are formulating plans to respond to climate change and adapt to its impact. Often, marginalized urban residents resist these plans, offering “counterplans” to protest unjust and exclusionary actions.

In this book, Kian Goh examines climate change response strategies in three cities—New York, Jakarta, and Rotterdam—and the mobilization of community groups to fight the perceived injustices and oversights of these plans. Looking through the lenses of urban design and socioecological spatial politics, Goh reveals how contested visions of the future city are produced and gain power.

Goh describes, on the one hand, a growing global network of urban environmental planning organizations intertwined with capitalist urban development, and, on the other, social movements that themselves often harness the power of networks. She explores such initiatives as Rebuild By Design in New York, the Giant Sea Wall plan in Jakarta, and Rotterdam Climate Proof, and discovers competing narratives, including community resiliency in Brooklyn and grassroots activism in the informal “kampungs” of Jakarta. Drawing on participatory fieldwork and her own background in architecture and urban design, Goh offers both theoretical explanations and practical planning and design strategies. She reframes the critical concerns of urban climate change responses, presenting a sociospatial typology of urban adaptation and considering the notion of a “just” resilience. Finally, she proposes a theoretical framework for designing equitable and just urban climate futures.

A city within a forest

Vancouver, ca. 1920. In the beginning, there was a forest. A redwood forest. Then came men and built their city in the forest. They cut the trees and destroyed all forest life. The last remains are there on this picture: some last standing trees. Impressive actually.

Later, these monuments of nature (some more than 3000 years old) also disappeared because of the need of city development and ‘modern’ urban planning concepts of those days. And now, anno 2020, one century later, humanity seem to have rediscovered the environmental ‘fashion look’. It talks and thinks as in modern times, about climate change, CO2 reduction, planting trees to prevent sea level rise and the development of the cities back to green. Urban planners are busy under volatile political skies. So nothing is sure.

There is the pressure I sense, to come up with new and true solutions for earlier failing urban concepts and huge forest and ecosystem losses. Back to basics is an optimistic thought. The circle seems to close but it will not entirely be expected do so, that is to say, not really, I’m afraid.

The hundreds of thousands of species will not repopulate the city though and turn the system on again towards the intrinsic and worthy ecological spectrum like Alexander von Humboldt, Charles Darwin and John Muir once described. Look at this picture of Vancouver and sense the thin line of where we came from, once the great forest. It looks like the last eagles high in the tree on the left are waiting for their chances. Shops, people, trams and cars though do not have much to offer for them.