12 Principes van Goede Besturing

Lorenzetti, A. (1339). The Effects of Good Government. Siena, Sala dei Nove.

De Raad van Europa heeft 12 principes voor goede besturing vastgesteld. Zij dienen als uitgangspunten, randvoorwaarden en richtlijnen bij het effectief handelen in publieke zaken. Het is een nobele set en een aansporing voor elk bestuur en elke organisatie. Het is spannend om te weten waar mechanismen van bijsturing zitten en hoe deze werken, indien niet voldaan wordt aan één of meer van de principes (Engels):

  1. Participation, Representation, Fair Conduct of Elections.
  2. Responsiveness.
  3. Efficiency and Effectiveness.
  4. Openness and Transparency.
  5. Rule of Law.
  6. Ethical Conduct.
  7. Competence and Capacity.
  8. Innovation and Openness to Change.
  9. Sustainability and Long-term Orientation.
  10. Sound Financial Management.
  11. Human Rights, Cultural Diversity and Social Cohesion.
  12. Accountability.

De overlevering leert ons dat hiervoor een hoog organiserend vermogen nodig is van de bestuurders en managers die de principes geacht worden te hanteren. Siena werd in de veertiende eeuw – toen een staat, geen stad – erg goed geleid. Persoonlijke kwaliteiten dus. Anders gezegd: Siena kwam tot bloei omdat er goede bestuurders zaten.

Wat was hun geheim, wat hun competenties? Een addendum bij deze principes inzake de noodzakelijke competenties is eigenlijk gewenst. Wij weten: zonder goede mensen, geen succes.

De Nederlandse Corporate Governance Code

Monitoring Commissie Corporate Governance Code, 2016

Preambule

De Nederlandse corporate governance code (hierna: de Code) richt zich op de governance van beursge- noteerde vennootschappen en geeft een richtsnoer voor effectieve samenwerking en bestuur. Governance gaat over besturen en beheersen, over verantwoordelijkheid en zeggenschap en over toezicht en verant- woording. Het doel van de Code is het met of in relatie tot wet- en regelgeving bewerkstelligen van een deugdelijk en transparant stelsel van checks and balances binnen Nederlandse beursgenoteerde vennoot- schappen en het daartoe reguleren van de verhoudingen tussen het bestuur, de raad van commissarissen en de algemene vergadering/aandeelhouders. Naleving van de Code draagt bij aan het vertrouwen in goed en verantwoord bestuur van vennootschappen en hun inbedding in de maatschappij.

De Code is voor het eerst vastgesteld in 2003 en eenmalig gewijzigd in 2008. Op verzoek van het Christelijk Nationaal Vakverbond, Eumedion, de Federatie Nederlandse Vakbeweging, Euronext NV, de Vereniging van Effectenbezitters, de Vereniging van Effecten Uitgevende Ondernemingen en de Vereniging VNO-NCW is de Code aangepast door de Monitoring Commissie Corporate Governance Code (hierna: de Commissie). Voortschrijdende ontwikkelingen, de tijdgeest en overlap met wetgeving zijn aanleiding geweest om de Code aan te passen. Onderhavige Code vervangt de Code uit 2008.

Reikwijdte

De Code is van toepassing op:

  • alle vennootschappen met statutaire zetel in Nederland waarvan de aandelen of certificaten van aandelen zijn toegelaten tot de handel op een gereglementeerde markt of een daarmee vergelijkbaar systeem; en
  • alle grote vennootschappen met statutaire zetel in Nederland (> € 500 miljoen balanswaarde) waarvan de aandelen of certificaten zijn toegelaten tot de handel op een multilaterale handelsfaciliteit of een daarmee vergelijkbaar systeem.

Voor de toepassing van de Code worden met houders van aandelen gelijk gesteld de houders van certifica- ten van aandelen die met medewerking van de vennootschap zijn uitgegeven. De Code is niet van toepas- sing op een beleggingsinstelling of instelling voor collectieve belegging in effecten die geen beheerder is in de zin van artikel 1:1 Wet op het financieel toezicht.

Inhoud van de Code
De Code bevat principes en best practice bepalingen die de verhouding reguleren tussen het bestuur, de raad van commissarissen en de algemene vergadering/aandeelhouders. De principes en bepalingen zijn gericht
op de invulling van verantwoordelijkheden voor lange termijn waardecreatie, beheersing van risico’s, effectief bestuur en toezicht, beloningen en de relatie met (de algemene vergadering van) aandeelhouders en stakeholders. De principes kunnen worden opgevat als breed gedragen algemene opvattingen over goede corporate governance. De principes zijn uitgewerkt in best practice bepalingen. Deze bepalingen bevatten normen voor het gedrag van bestuurders, commissarissen en aandeelhouders. Zij geven de ‘best practice’ weer en zijn een invulling van de algemene beginselen van goede corporate governance. Vennootschappen kunnen hiervan gemotiveerd afwijken. De voorwaarden voor afwijking worden hierna onder ‘Naleving van de Code’ toegelicht.

De verhouding tussen de vennootschap en haar werknemers (-vertegenwoordigers) is bij wet geregeld. In de Code komt deze verhouding aan bod in bepalingen die betrekking hebben op cultuur en de contacten tussen de raad van commissarissen en het medezeggenschapsorgaan.

De Nederlandse Corporate Governance Code 2016

COSO Enterprise Risk Management

Integrating with Strategy and Performance, June 2017

This project was commissioned by the Committee of Sponsoring Organizations of the Treadway Commission (COSO), which is dedicated to providing thought leadership through the development of comprehensive frameworks and guidance on internal control, enterprise risk management, and fraud deterrence designed to improve organi- zational performance and oversight and to reduce the extent of fraud in organizations.

Foreword

“In keeping with its overall mission, the COSO Board commissioned and published in 2004 Enterprise Risk Management—Integrated Framework. Over the past decade, that publication has gained broad acceptance by organizations in their efforts to manage risk. However, also through that period, the complexity of risk has changed, new risks have emerged, and both boards and executives have enhanced their awareness and oversight of enterprise risk management while asking for improved risk reporting. This update to the 2004 publication addresses the evolution of enterprise risk management and the need for organizations to improve their approach to managing risk to meet the demands of an evolving business environment.

The updated document, now titled Enterprise Risk Management—Integrating with Strategy and Performance, highlights the importance of considering risk in both the strategy-setting process and in driving performance. The first part of the updated publication offers a perspective on current and evolving concepts and applications of enterprise risk management. The second part, the Framework, is organized into five easy-to-understand components that accommodate different viewpoints and operating structures, and enhance strategies and decision-making. In short, this update:

  • Provides greater insight into the value of enterprise risk management when setting and carrying out strategy.
  • Enhances alignment between performance and enterprise risk management to improve the setting of performance targets and understanding the impact of risk on performance.
  • Accommodates expectations for governance and oversight.
  • Recognizes the globalization of markets and operations and the need to apply a common, albeit tailored, approach across geographies.
  • Presents new ways to view risk to setting and achieving objectives in the context of greater business complexity.
  • Expands reporting to address expectations for greater stakeholder transparency.
  • Accommodates evolving technologies and the proliferation of data and analytics in sup- porting decision-making.

The figure illustrates the framework considerations in the context of mission, vision, core values, and as a driver of an entity’s overall direction and performance.

Sets out core definitions, components, and principles for all levels of management involved in designing, implementing, and conducting enterprise risk management practices.

Readers may also wish to consult a complementary publication, COSO’s Internal Control— Integrated Framework. The two publications are distinct and have different focuses; neither supersedes the other. However, they do connect. Internal Control—Integrated Framework encompasses internal control, which is referenced in part in this updated publication, and therefore the earlier document remains viable and suitable for designing, implementing, conducting, and assessing internal control, and for consequent reporting.

The COSO Board would like to thank PwC for its significant contributions in developing Enterprise Risk Management—Integrating with Strategy and Performance. Their full consideration of input provided by many stakeholders and their insight were instrumental in ensuring that the strengths of the original publication have been preserved, and that text has been clarified or expanded where it was deemed helpful to do so. The COSO Board and PwC together would also like to thank the Advisory Council and Observers for their contributions in reviewing and providing feedback.”

Robert B. Hirth Jr. (COSO Chair) and Dennis L. Chesley (PwC Project Lead Partner and Global and APA Risk and Regulatory Leader)

2017 COSO ERM: Integrating with Strategy and Performance (Executive-Summary)

Nederlandse code voor goed openbaar bestuur

Beginselen van deugdelijk overheidsbestuur

Voorwoord
Mevrouw dr. G. ter Horst: “Beginselen van de democratische rechtsstaat vormen in Nederland het kader van ons functioneren. Burgers en overheid moeten er samen invulling aan geven. De overheid kan dit niet zonder de burgers; de burgers kunnen dit niet zonder de overheid. In die wederkerigheid is een juiste balans nodig van rechten en plichten van de burger enerzijds, en van de overheid anderzijds.

De rechten en plichten van burgers liggen vast in formele wetten en regels. Daarnaast doet het Handvest verantwoordelijk burgerschap een informeel, moreel beroep op burgers om actief en verantwoordelijk in de maatschappij te staan.

Er zijn ook veel formele wetten en regels die het functioneren van het openbaar bestuur vastleggen. Deze wetten en regels nodigen – juist door hun formele karakter – niet per se uit tot zelfreflectie. Daardoor zouden we bijna uit het oog verliezen waarom we al die wetten en regels hebben: om te voorzien in maatschappelijke behoeften binnen het kader van de democratische rechtsstaat.

In deze code voor goed openbaar bestuur is te vinden wat de basale beginselen van goed openbaar bestuur zijn in onze democratische rechtsstaat. Het is een informeel instrument dat een beroep doet op de eigen verantwoordelijkheid van besturen om een gewetensvolle invulling te geven aan hun taken en verantwoordelijkheden in het openbaar bestuur. Het nodigt uit tot zelfreflectie en vertaling naar de dagelijkse praktijk.

Speciale aandacht vraag ik daarbij voor integriteit. We kunnen nog zoveel vastleggen in formele wetten en regels en informele codes; uiteindelijk is de individuele en collectieve integriteit van bestuurders essentieel. Net als de individuele en collectieve integriteit van hen die de bestuurders controleren. Helaas zijn er ook in het openbaar bestuur af en toe voorbeelden van gebrek aan integriteit en de negatieve gevolgen daarvan.

Juist de mensen die individuele en collectieve taken en verantwoordelijkheden vervullen in het openbaar bestuur, die ons aller belang dienen; juist zíj moeten het goede voorbeeld geven. Zó verdienen we het vertrouwen van de burger in de overheid. Zó stimuleren we actief en verantwoordelijk burgerschap. Zó kunnen overheid en burgers samen invulling geven aan het functioneren van onze democratische rechtsstaat.”

Inleiding

Goed openbaar bestuur is essentieel voor het functioneren van onze democratische rechtsstaat. Zonder goed openbaar bestuur kan er geen gezonde wisselwerking plaatsvinden tussen overheid en samenleving en kan de overheid niet in maatschappelijke behoeften voorzien.

In deze code is te vinden wat goed openbaar bestuur betekent voor besturen van individuele organisaties in het openbaar bestuur in Nederland, zowel op centraal als decentraal niveau.

Goed openbaar bestuur is zelfs in een welvarend en ontwikkeld land als Nederland geen vanzelfsprekendheid. Ook het feit dat politieke en maatschappelijke belangen democratisch gelegitimeerd worden afgewogen, biedt wat dit betreft geen absolute waarborg. Deze code drukt besturen van organisaties in het openbaar bestuur op het hart beginselen van goed bestuur in de dagelijkse praktijk levend te maken en levend te houden, en biedt een referentiekader voor anderen om hen hierop aan te spreken.

De code bevat geen juridisch afdwingbare normen. Er is al veel wet- en regelgeving die het optreden van de overheid reguleert, waaronder de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. De waarden die aan deze wet- en regelgeving ten grondslag liggen worden in de code expliciet gemaakt. Het zijn de gezamenlijke waarden op basis waarvan het openbaar bestuur functioneert. De code nodigt uit tot vertaling van deze waarden naar de eigen situatie en tot het nemen van actie: het actief uitdragen binnen en buiten de organisatie, een voorbeeld willen zijn en aanspreekbaar willen zijn op goed bestuur. Hiertoe kan worden aangesloten bij bestaande initiatieven.

De beginselen moeten in elkaars verband worden gezien. In de praktijk zullen beginselen soms tegen elkaar afgewogen moeten worden. Zo hoeft bijvoorbeeld een legitieme beslissing niet altijd de meest doelmatige beslissing te zijn. Belangrijk is dat besturen hun afwegingen bewust maken en daarover open zijn. Het publieke belang staat daarbij altijd voorop: het openbaar bestuur is er vóór en namens burgers.

Goed openbaar bestuur vergt onderhoud en continue aandacht. De code ‘leeft’ als besturen hem gewetensvol toepassen en daarvan regelmatig publiekelijk verslag doen.

Beginselen

  1. Openheid en integriteit: Het bestuur is open en integer en maakt duidelijk wat het daaronder verstaat. Het bestuur geeft in zijn gedrag het goede voorbeeld, zowel binnen de organisatie als daarbuiten.
  2. Participatie: Het bestuur weet wat er leeft in de maatschappij en laat zien wat het daarmee doet.
  3. Behoorlijke contacten met burgers: Het bestuur zorgt ervoor dat hijzelf en de organisatie zich behoorlijk gedragen in contacten met burgers.
  4. Doelgerichtheid en doelmatigheid: Het bestuur maakt de doelen van de organisatie bekend en neemt de beslissingen en maatregelen die nodig zijn om de gestelde doelen te behalen.
  5. Legitimiteit: Het bestuur neemt de beslissingen en maatregelen die het mag nemen en die in overeenstemming zijn met geldende wet- en regelgeving. De beslissingen zijn te rechtvaardigen.
  6. Lerend en zelfreinigend vermogen: Het bestuur verbetert zijn prestaties en die van de organisatie, en richt de organisatie hier op in.
  7. Verantwoording: Het bestuur is bereid zich regelmatig en ruimhartig jegens de omgeving te verantwoorden.

Brochure code goed openbaar bestuur

The IIA’S Three Lines Model

The Institute of Internal Auditors, 2020

Organizations are human undertakings, operating in an increasingly uncertain, complex, interconnected, and volatile world. They often have multiple stakeholders with diverse, changeable, and sometimes competing interests. Stakeholders entrust organizational oversight to a governing body, which in turn delegates resources and authority to management to take appropriate actions, including managing risk.

For these reasons and more, organizations need effective structures and processes to enable the achievement of objectives, while supporting strong governance and risk management. As the governing body receives reports from management on activities, outcomes, and forecasts, both the governing body and management rely on internal audit to provide independent, objective assurance and advice on all matters and to promote and facilitate innovation and improvement. The governing body is ultimately accountable for governance, which is achieved through the actions and behaviors of the governing body as well as management and internal audit.

The IIA’s Three Lines Model

The Three Lines Model helps organizations identify structures and processes that best assist the achievement of objectives and facilitate strong governance and risk management. The model applies to all organizations and is optimized by:

  • Adopting a principles-based approach and adapting the model to suit organizational objectives and circumstances.
  • Focusing on the contribution risk management makes to achieving objectives and creating value, as well as to matters of “defense” and protecting value.
  • Clearly understanding the roles and responsibilities represented in the model and the relationships among them.
  • Implementing measures to ensure activities and objectives are aligned with the prioritized interests of stakeholders.

Principle are formulated related to:

  • Governance.
  • Governing body rules.
  • Management and first and second line roles.
  • Third line roles.
  • Third line independence.
  • Creating and protecting value.

Three-Lines-Model-Updated

Integrale Circulaire Economie Rapportage 2021

De Nederlandse regering wil in 2050 een volledig circulaire economie hebben bereikt. Monitoring van de voortgang van deze transitie is gewenst. Dit rapport ICER 2021 is een belangrijke mijlpaal in dit proces. Welke interventies heeft de overheid in Nederland gedaan om de transitie naar een circulaire economie op gang te brengen en te versnellen? Wat zijn de acties van maatschappelijke partijen?

Interventies en acties vormen samen de transitie-indicatoren, die een beeld geven van de mate waarin en de manier waarop bedrijven, consumenten en overheden voorsorteren op een circulaire economie. Zij worden beschreven in dit rapport, dat onder supervisie van dr. Frank J. Dietz* van het Planbureau voor de Leefomgeving tot stand is gekomen. In hoofdstuk 4 wordt de voortgang aan de hand van een achttal sleutelprocessen (p.134) behandeld:

  • Ondernemerschap (experimenteren en opschalen van innovaties).
  • Kennisontwikkeling.
  • Kennisuitwisseling.
  • Richting geven aan het zoekproces (doelen en oplossingen);
  • Creatie van markten.
  • Mobilisatie van middelen.
  • Doorbreking van weerstand (legitimiteit en veranderdruk op gevestigd systeem).
  • Coördinatie van bundel van veranderprocessen in transitie.

Op p.129 worden de hoofdboodschappen begin 2021 gerapporteerd (verkort). Het blijkt dat wij aan het begin staan en dat veel op vrijwillige basis en met soft controls verloopt:

  • De transitie naar een circulaire economie staat bij veel maatschappelijke partijen op de agenda. De voortgang van de transitie is onder andere zichtbaar in het toenemende aantal ‘circulaire’ bedrijven, wetenschappelijke publicaties, opleidingen die aandacht besteden aan circulaire vraagstukken en financiële middelen die via ondersteunende instrumenten van de Rijksoverheid zijn gebruikt voor circulaire activiteiten.
  • Ondanks de voortgang, bevindt de transitie zich nog in een aanvangsfase. Het aandeel circulaire bedrijven in Nederland is met zo’n 6 procent nog beperkt. Hiernaast functioneert het merendeel van de huidige economie nog volgens lineaire principes. Van de implementatie van circulair ontwerp of circulaire businessmodellen is nog nauwelijks sprake.
  • Zonder aanvullende acties blijft recycling de dominante richting in de transitie naar een circulaire economie. Recycling is onmisbaar in een circulaire economie. De grootste milieuwinst wordt echter verwacht van strategieën die zich richten op het verminderen van het totale grondstoffengebruik (narrowing the loop) en het verlengen van de levensduur van producten en onderdelen (slowing the loop). Deze strategieën krijgen tot op heden nauwelijks aandacht.
  • De transitie naar een circulaire economie gaat niet alleen over nieuwe technologieën, maar ook over andere spelregels (instituties), ander gedrag, nieuwe producten, diensten, kennis en alternatieve businessmodellen. Deze elementen krijgen nog weinig aandacht. De opschaling van circulaire activiteiten kent diverse belemmeringen.
  • Het realiseren van de transitie is een belangrijk doel van het kabinetsbeleid. Dit vergt inspanningen van overheden, producenten, consumenten, ngo’s, wetenschappers en bestuurders. Een transitie is immers niet door enkel de overheid te sturen en te realiseren.

Als het om risico gaat wordt met name genoemd (de bronvermeldingen in het rapport zijn hier weggelaten):

  • Leveringsrisico, zijnde het risico om niet te kunnen beschikken over een grondstof voor een economie of een bedrijf. Beperkte beschikbaarheid van kritieke materialen betekent een risico voor de economie en de levensstandaard in importerende landen.
  • Het risico op prijsvolatiliteit.
  • Indien de sortering, reparatie of het recyclen van deze producten niet op een veilige manier gebeurt, is het risico op ernstige vervuiling en gezondheidsschade hoog.
  • Financiers zien een risicoverhoging ten opzichte van het traditionele verkoopmodel, door bestaande accountingregels die product-als-een-dienst-bedrijven belemmeren als hun omvangrijke activa op de balans (bijvoorbeeld de wasmachines die worden verhuurd) staan en trage cashflow (huuropbrengst) veroorzaken. Deze bedrijven scoren slecht op kredietwaardigheid (solvabiliteit) binnen de huidige rekenmethode. Ze hebben relatief veel producten als werkvoorraad nodig, wat een relatief grote initiële investering vergt. De resulterende langere terugverdientijd wordt in de regel als risico verhogend gekwalificeerd door kredietverstrekkers.
  • Vergunningverleners en handhavers gebruiken echter routines bij het inschatten van risico’s om zo op een efficiënte manier aanvragen af te handelen. Deze routines zijn veelal risicomijdend, zelfs als wetten en normen ruimte voor verandering of experimenten bieden. Bovendien durven vergunningverleners uit angst voor juridische consequenties vaak niet af te wijken van een strikte interpretatie van wetten en regels. Nieuwe circulaire productieprocessen kunnen hierdoor worden gehinderd.
  • Risicoverkenning in relatie met energietransitie is van belang, omdat zij nauw verbonden is met circulaire economie.De energietransitie in Nederland leidt naar verwachting tot nieuwe leveringsrisico’s. De energietransitie vergt namelijk een niet eerder vertoonde versnelling van de jaarlijkse productiegroei van veel grondstoffen, hetgeen tot leveringsrisico’s leidt. Anderzijds is de koppeling van de verbranding van afval met de energievoorziening zoals warmtenetten is een risico voor de transitie naar een circulaire economie. Daarin wordt thans fors geïnvesteerd. Deze koppeling herbergt een risico op een ‘lock in’. De energievoorziening wordt dan namelijk afhankelijk van het verbranden van voldoende afval waardoor een prikkel ontstaat om voldoende afval te kunnen verbranden in plaats van afval te beperken en nuttige materialen daarin via recycling een volgend leven te geven.
  • De verschuiving van de verwerking van afval uit hoge-inkomenslanden naar lagelonenlanden met lagere milieustandaarden vergroot het risico op het ontstaan van pollution havens. Omdat de exportketens van afval niet transparant zijn, is er geen duidelijk beeld van hoe het geëxporteerde afval daadwerkelijk verwerkt wordt, of wat daarbij het risico op negatieve milieueffecten is en welk waardeverlies dit met zich meebrengt.
  • (Verdere) negatieve effecten kunnen optreden in het verleggen van productieketens, vooral bij armste deel van de wereldbevolking met het risico op sociale misstanden en op schendingen van arbeidsrechten (onder meer kinderarbeid). Ook lokale milieueffecten kunnen groot zijn.
  • Een duurzaamheidskader is nodig. Welke stof is duurzaam onder welk criterium van productie of als onderdeel van een product. Er is hier tevens het risico op overexploitatie, waardoor de voorraad aan biogrondstoffen niet kan worden hersteld en het risico op uitputting ontstaat. Dit vergt dat de biogrondstoffen op een duurzame manier worden geteeld, de bodemvruchtbaarheid op peil blijft en de nutriëntenkringlopen worden gesloten. Het Nederlandse bedrijfsleven zet stappen, maar nog lang niet alle risico’s zijn aangepakt.
  • De verspreiding van Zeer Zorgwekkende Stoffen (ZZS) wordt nog onvoldoende beheerst en brengt onvoorziene risico’s met zich mee. Bij hergebruik en recycling kunnen ZZS vrijkomen of zich ophopen in producten. Dat kunnen ook verboden stoffen zijn die nog in oudere producten verwerkt zitten. Ook kunnen nieuwe risico’s ontstaan door toepassing van nieuwe stofcombinaties. Dit vraagt om meer kennis over de daaraan verbonden risico’s.
  • De afhankelijkheid van de import van kritieke metalen vormt een risico voor de Nederlandse economie en de levensstandaard. Bij de winning van een aantal kritieke materialen zijn enkele landen dominant, waardoor het risico bestaat op monopolistisch gedrag.

Op p. 198 wordt het woord governance voor het eerst opgevoerd: “Om in de volgende fase van de transitie afspraken te maken over te bereiken doelen en te ondernemen acties, is een duidelijke rolverdeling van belang tussen de verschillende betrokken partijen. Het scheppen van meer helderheid over de verantwoordelijkheden van de verschillende stakeholders en het gesprek hierover is dan ook een belangrijk onderdeel van de versterking van de governance van de transitie naar een circulaire economie”.

Een integrale risico-analyse op het realiseren van een circulaire economie ontbreekt, maar de beschreven bouwstenen geven een eerste duiding. Het wordt een spannend proces, dat gezien de gestelde doelen, meer systemische ingrepen van met name de overheid doet verwachten. Zoveel wordt duidelijk uit dit rapport, dat bestuurders en publieke leiders er wijs aan doen dit rapport te lezen en de grote waarde ervan te laten doordringen in te nemen besluiten. Immers ‘regeren is vooruitzien’. Het is een waardevol rapport en qua integraliteit en transdisciplinariteit de eerste in zijn soort. Vakwerk.

*Dr. Frank J. Dietz gaf in oktober 2018 de 1e Professor Oldeman Lezing Duurzame Ontwikkeling en Circulaire Economie.

Organisatienetwerken

Door Patrick Kenis en Bart Cambré

De organisatievorm van de toekomst
In onze veranderende wereld kunnen complexe problemen enkel aangepakt worden als organisaties samenwerken. Individuele organisaties zijn niet in staat om deze complexiteit het hoofd te bieden. Ze moeten hun expertise noodgedwongen verbinden aan die van andere en maken hierdoor steeds vaker deel uit van organisatienetwerken. In dit boek verkennen we de fascinerende wereld van organisatienetwerken. Hoe en waarom moeten we steeds vaker streven naar iets dat onze eigen organisatie overstijgt?

Op basis van de meest recente wetenschappelijke inzichten, die de auteurs vaak zelf verzameld hebben, komen alle belangrijke bouwstenen van organisatienetwerken aan bod. Wanneer moet je een organisatienetwerk oprichten en wanneer niet? Hoe doe je dat dan? Wat zijn de valkuilen en hoe kan je hiermee omgaan? Hoe evalueer je op een eenvoudige manier de werking van je organisatienetwerk?

Het vraagt kennis en kunde om organisatienetwerken te doen slagen. Dit boek biedt je via talrijke voorbeelden en begrijpelijke inzichten de mogelijkheid om ook jouw organisatienetwerk te bouwen en evalueren.

Uitgegeven door Pelckmans Pro

De boom en het rizoom

Door Jack Kruf

Dit essay De boom en het rizoom door Van der Steen et al. (2010) handelt over het begrip van het eigen systeem van menselijk handelen. Een lezenswaardig essay vanuit de optiek van holistische denken en handelen.

Het handelt over samenleving enerzijds, overheid anderzijds. Hun werking en rollen worden bekeken als het ware ‘afgetast’ in het licht van onderdelen van het natuurlijke bosecosysteem. Het gekozen vertrekpunt wordt daarbij gedaan dat de samenleving een rizoom is en de bureaucratie een boom.

Krul (2020) in de 2e Professor Oldeman Lezing ‘Thorbecke voorbij: Lokale sturing op complexe opgaven’ hierover: “En die boom staat natuurlijk voor de overheid. Deze manier van kijken naar bestuur en samenleving is ook terug te vinden in het werk van professor Oldeman, de naamgever van deze lezing. Hij heeft veel betekend in de begripsvorming van ecosystemen, in het bijzonder van systeemvraagstukken van bos, samenleving en mens in onderlinge verbondenheid. Het ecosysteem functioneert alleen optimaal als alle onderdelen, naast boom en rizoom, ook zaken als schimmels en mineralen aanwezig zijn en in harmonie met elkaar leven.”

Steen et al. (2010, p. 3): “Een toenemend aantal problemen en vraagstukken waarvoor de overheid zich geplaatst ziet – of verantwoordelijk wordt gehouden – heeft het karakter van een ‘netwerkprobleem’: een groot aantal partijen is betrokken, met uiteenlopende waarden, visies en belangen, met een fragmentatie van macht en verantwoordelijkheid, zonder dat er één actor is die eigenstandig tot een oplossende interventie kan komen.”

Bibliografie
Krul, J. (2020) Thorbecke voorbij: Lokale sturing op complexe opgaven. Breda: Stichting Civitas Naturalis in samenwerking met PRIMO Nederland.

Steen, M. van der, Peeters, R. en Twist, M. van der (2010) Overheidssturing in een Netwerksamenleving. Den Haag: Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer.

Fukushima report

Disaster location map (p.10) from the National Diet of Japan.

By Jack Kruf

The evaluation of the Fukushima Daichii nuclear disaster in 2011 related to an earthquake followed by a tsunami is a good example of zooming out from a disaster and learn the lessons. It is as report a true example report of self reflection, because it digs deep into the public ecosystem where government, business and civic society meet. It is a form of network analysis. The disaster had a major impact on the natural environment and ecosystems. The disaster shocked the entire world.

The National Diet of Japan

The conclusions by Fukushima Nuclear Accident Independent Investigation Commission were thorough and blistering. It shed a light on how attitudes, stakes and rules and their interdependencies as well as the lack of cooperation in peace-time (read: before the earthquake and the tsunami) between organisations related to the public domain had increased the disaster. The major conclusions [quote]:

  • In order to prevent future disasters, fundamental reforms must take place. These reforms must cover both the structure of the electric power industry and the structure of the related government and regulatory agencies as well as the operation processes. They must cover both normal and emergency situations. 
  • The TEPCO Fukushima Nuclear Power Plant accident was the result of collusion between the government, the regulators and TEPCO, and the lack of governance by said parties. They effectively betrayed the nation’s right to be safe from nuclear accidents. Therefore, we conclude that the accident was clearly “manmade”. We believe that the root causes were the organisational and regulatory systems that supported faulty rationales for decisions and actions, rather than issues relating to the competency of any specific individual. 
  • We conclude that TEPCO was too quick to cite the tsunami as the cause of the nuclear accident and deny that the earthquake caused any damage.
  • The Commission concludes that there were organisational problems within TEPCO. Had there been a higher level of knowledge, training, and equipment inspection related to severe accidents, and had there been specific instructions given to the on-site workers concerning the state of emergency within the necessary time frame, a more effective accident response would have been possible. 
  • The Commission concludes that the situation continued to deteriorate because the crisis management system of the Kantei, the regulators and other responsible agencies did not function correctly. The boundaries defining the roles and responsibilities of the parties involved were problematic, due to their ambiguity. 
  • The Commission concludes that the residents’ confusion over the evacuation stemmed from the regulators’ negligence and failure over the years to implement adequate measures against a nuclear disaster, as well as a lack of action by previous governments and regulators focused on crisis management. The crisis management system that existed for the Kantei and the regulators should protect the health and safety of the public, but it failed in this function. 
  • The Commission recognizes that the residents in the affected area are still struggling from the effects of the accident. They continue to face grave concerns, including the health effects of radiation exposure, displacement, the dissolution of families, disruption of their lives and lifestyles and the contamination of vast areas of the environment. There is no foreseeable end to the decontamination and restoration activities that are essential for rebuilding communities. 
  • The Commission concludes that the government and the regulators are not fully committed to protecting public health and safety; that they have not acted to protect the health of the residents and to restore their welfare. 
  • The Commission has concluded that the safety of nuclear energy in Japan and the public cannot be assured unless the regulators go through an essential transformation process. The entire organisation needs to be transformed, not as a formality but in a substantial way. Japan’s regulators need to shed the insular attitude of ignoring inter- national safety standards and transform themselves into a globally trusted entity. 
  • TEPCO did not fulfil its responsibilities as a private corporation, instead obeying and relying upon the government bureaucracy of METI, the government agency driving nuclear policy. At the same time, through the auspices of the FEPC, it manipulated the cozy relationship with the regulators to take the teeth out of regulations. 
  • The Commission concludes that it is necessary to realign existing laws and regulations concerning nuclear energy. Mechanisms must be established to ensure that the latest technological findings from international sources are reflected in all existing laws and regulations.
  • Replacing people or changing the names of institutions will not solve the problems. Unless these root causes are resolved, preventive measures against future similar accidents will never be complete.” [unquote] 

Diagram (p.35) of the emergency communication protocol, from the National Diet of Japan.

The chairman of the research commission of the National Diet report Kiyoshi Kurokawa summarised the conclusions [quote]:

  • The disaster cannot be regarded as a natural disaster. It was a profoundly manmade disaster – that could and should have been foreseen and prevented. And its effects could have been mitigated by a more effective human response.
  • Our report catalogues a multitude of errors and wilful negligence that left the Fukushima plant unprepared for the events of March 11. And it examines serious deficiencies in the response to the accident by TEPCO, regulators and the government. 
  • What must be admitted – very painfully – is that this was a disaster “Made in Japan.” Its fundamental causes are to be found in the ingrained conventions of Japanese culture: our reflexive obedience; our reluctance to question authority; our devotion to ‘sticking with the program’; our groupism; and our insularity.  Had other Japanese been in the shoes of those who bear responsibility for this accident, the result may well have been the same. 
  • Following the 1970s “oil shocks,” Japan accelerated the development of nuclear power in an effort to achieve national energy security. As such, it was embraced as a policy goal by government and business alike, and pursued with the same single-minded determination that drove Japan’s postwar economic miracle. 
  • With such a powerful mandate, nuclear power became an unstoppable force, immune to scrutiny by civil society. Its regulation was entrusted to the same government bureaucracy responsible for its promotion. At a time when Japan’s self-confidence was soaring, a tightly knit elite with enormous financial resources had diminishing regard for anything ‘not invented here.’ 
  • This conceit was reinforced by the collective mindset of Japanese bureaucracy, by which the first duty of any individual bureaucrat is to defend the interests of his organisation. Carried to an extreme, this led bureaucrats to put organisational interests ahead of their paramount duty to protect public safety. 
  • Only by grasping this mindset can one understand how Japan’s nuclear industry managed to avoid absorbing the critical lessons learned from Three Mile Island and Chernobyl; and how it became accepted practice to resist regulatory pressure and cover up small-scale accidents. It was this mindset that led to the disaster at the Fukushima Daiichi Nuclear Plant. 
  • This report singles out numerous individuals and organisations for harsh criticism, but the goal is not—and should not be—to lay blame. The goal must be to learn from this disaster, and reflect deeply on its fundamental causes, in order to ensure that it is never repeated. 
  • Many of the lessons relate to policies and procedures, but the most important is one upon which each and every Japanese citizen should reflect very deeply. 
  • The consequences of negligence at Fukushima stand out as catastrophic, but the mindset that supported it can be found across Japan. In recognizing that fact, each of us should reflect on our responsibility as individuals in a democratic society. 
  • As the first investigative commission to be empowered by the legislature and independent of the bureaucracy, we hope this initiative can contribute to the development of Japan’s civil society. Above all, we have endeavoured to produce a report that meets the highest standard of transparency. The people of Fukushima, the people of Japan and the global community deserve nothing less. [unquote]

Bibliography

The National Diet of Japan (2012) The Fukushima Nuclear Accident Independent Investigation Commission. The National Diet of Japan https://warp.da.ndl.go.jp/info:ndljp/pid/3856371/naiic.go.jp/en/report/

 

The Cadbury Report

By Jack Kruf

Looking back over het last decades, this report comes forward as a milestone related to governance. It is 1992. The Cadbury Report about “Financial Aspects of Corporate Governance” is published. It was a groundbreaking report – chaired by Sir Adrian Cadbury – leading to improvements of the standards of governance. It was a reaction on the scandal in 1991 at the Bank of Credit and Commerce International.

The report brought forward specific recommendations on good corporate governance described as ”best practice” or ”code of conduct”. It was highly influential for the development of codes within organisations in the light of accountability to external shareholders. It is the start of a new line of thinking about good governance, also in the public context. This interview with Sir Adrian Cadbury gives the precise focus but also the intentions to look further into the essence of corporate governance.

The report stipulated “the continuing concern about standards of financial reporting and accountability, … which has kept corporate governance in the public eye.” Some findings and recommendations (a personal selection) tell the story of the search for codes, checks and balances [quote]:

  • By adhering to the Code, listed companies will strengthen both their control over their businesses and their public accountability. In so doing they will be striking the right balance between meeting the standards of corporate governance now expected of them and retaining the essential spirit of enterprise. 
  • Every public company should be headed by an effective board which can both lead and control the business. 
  • The framework in which auditors operate, however, is not well designed in certain respects to provide the objectivity which shareholders and the public expect of auditors in carrying out their function. 
  • The new system has only recently been established and its full impact has yet to be felt. In the following paragraphs we endorse the steps that are being taken and recommend additional action to strengthen public confidence in the audit approach. 
  • We believe that there should be an extension of the audit which will add to users of accounts and bring it closer into line with public expectations. 
  • So far as reporting fraud is concerned, the present legal position is that confidentiality is an implied term of an auditor’s contract, and there is a public interest in maintaining confidential client relationships. Normally, therefore, it is the auditor’s duty to report fraud to senior management. However, there is also a public interest in fraud being dealt with expeditiously and this may entail disclosing matters to a proper authority. [unquote]

The Global Risks Report 2021

Cover Global Risks Report 2021

Klaus Schwab, Founder and Executive Chairman Saadia Zahidi, Managing Director:

“In 2006, the Global Risks Report sounded the alarm on pandemics and other health-related risks. That year, the report warned that a “lethal flu, its spread facilitated by global travel patterns and uncontained by insufficient warning mechanisms, would present an acute threat.” Impacts would include “severe impairment of travel, tourism and other service industries, as well as manufacturing and retail supply chains” while “global trade, investor risk appetites and consumption demand” could see longer-term harms. A year later, the report presented a pandemic scenario that illustrated, among other effects, the amplifying role of “infodemics” in exacerbating

the core risk. Subsequent editions have stressed the need for global collaboration in the face of antimicrobial resistance (8th edition, 2013), the Ebola crisis (11th edition, 2016), biological threats (14th edition, 2019), and overstretched health systems (15th edition, 2020), among other topics.

In 2020, the risk of a global pandemic became reality. As governments, businesses and societies survey the damage inflicted over the last year, strengthening strategic foresight is now more important than ever. With the world more attuned to risk, there is an opportunity to leverage attention and find more effective ways to identify and communicate risk to decision-makers.

It is in this context that we publish the 16th edition of the World Economic Forum’s Global Risks Report. Our analysis centres on the risks and consequences of widening inequalities and societal fragmentation. In some cases, disparities in health outcomes, technology, or workforce opportunities are the direct result of the dynamics the pandemic created. In others, already- present societal divisions have widened, straining weak safety nets and economic structures beyond capacity. Whether the gaps can be narrowed will depend on the actions taken in the wake of COVID-19 to rebuild with a view towards an inclusive and accessible future. Inaction on economic inequalities and societal divisiveness may further stall action on climate change—still an existential threat to humanity.

Growing societal fragmentation—manifested through persistent and emerging risks to human health, rising unemployment, widening digital divides, and youth disillusionment—can have severe consequences in an era of compounded economic, environmental, geopolitical and technological risks. The gap between the “haves” and “have-nots” will widen further if technology access and ability remain disparate. The world’s youth have faced exceptional pressures in the past decade and are particularly vulnerable to missing out altogether on the opportunities of the next.

For business, the economic, technological and reputational pressures of the present moment risk a disorderly shakeout, threatening to create a large cohort of workers and companies that are left behind in the markets of the future. Governments, too, must balance between managing the pandemic and economic contraction, while at the same time creating new opportunities that are fundamental to social cohesion and the viability of their populations. Most critically, if environmental considerations—the top long-term risks once again—are not confronted in the short term, environmental degradation will intersect with societal fragmentation to bring about dramatic consequences. If managed poorly, these disruptions will hamper the ability of policy-makers and other leaders to act on different areas of risk.

The foundation of the report continues to be our annual Global Risks Perception Survey, completed by over 650 members of the World Economic Forum’s diverse leadership communities. In addition, the long- standing and deeply committed Global Risks Advisory Board shapes the direction of this report from its earliest stages, and provides insight throughout the writing process. Over the last year, we have also expanded our efforts around risk and resilience for decision-makers and for the broader global community. A new Global Future Council on Frontier Risks capitalizes on its diverse and forward-looking membership to inject fresh thinking into efforts to understand and mitigate future risks and to amplify weak signals of coming disruptions in the decades ahead. Their ideas are featured in the postscript on Frontier Risks. A new Chief Risk Officers community brings together leaders in this role in the private sector and major institutions to share methods and views to collectively enhance capability.

We are ever grateful to our long-standing partners in the report’s development, Marsh McLennan and Zurich Insurance Group. We welcomed a new partner this year, SK Group, to whom we owe a debt of gratitude for the valuable inputs provided. We are also grateful to our academic partners: the National University of Singapore, the Oxford Martin School at the University of Oxford, and the Wharton Risk Management and Decision Processes Center at the University of Pennsylvania. Insights from a wide set of experts from the public and private sectors can also be found in these pages.

Complementing the Global Risks Practice, the World Economic Forum hosts major platforms dedicated to action on building a new economy and society, mobilizing for the climate, managing and disseminating Fourth Industrial Revolution technologies, shaping industry transformations, and enhancing global and regional cooperation. These platforms, and the leaders, networks and organizations they host, apply the findings of this report in their efforts to tackle the world’s greatest challenges—managing risks, building resilience and leveraging new opportunities. Such an integrated approach has never been more critical than at present, as the world moves beyond managing the pandemic to resetting our current systems and building back better economies and societies with people and the planet at the centre of our efforts.”

World Economic Forum:The Global Risks Report 2021

De bril van systeemdenken

Het belang van systeemdenken bij het vinden van oplossingen van voorliggende vraagstukken is groot. Het blijft een uitdaging, omdat dit bovenal complex is en begrepen dient te worden door de onderdelen van het systeem. Het leren van natuurlijke ecosystemen is voor de hand liggend. Dr. Frank J. Dietz (2018, p.3) van het Planbureau voor de Leefomgeving, poogt in zijn Oldeman lezing een brug te slaan. Quote:

“In een eerste verkenning probeer ik zicht te geven op wat een circulaire economie is en voor welke problemen – of zo u wilt voor welke maatschappelijke uitdagingen – een circulaire economie oplossingen biedt. Dat vraagt om een analyse van de samenleving waarvoor ik de bril van het systeemdenken opzet.

 

Dat biedt de mogelijkheid om op een vergelijkbare manier als waarop Roelof A.A. Oldeman het functioneren van bossen heeft bestudeerd, het functioneren van de menselijke samenleving te analyseren. Ik beoog daarmee op een wetenschappelijk gefundeerde manier de uitdagingen die toenemende milieuvervuiling, klimaatverandering en afnemende biodiversiteit stellen, te begrijpen. Daarin worden verschijnselen niet (alleen) op basis van min of meer geïsoleerde oorzaak-gevolgketens verklaard, maar als een samenspel van op elkaar reagerende elementen en deelsystemen waarin terugkoppelingen een belangrijke rol spelen. En met een beter begrip van de uitdagingen en de manier waarop de samenleving daarmee tot op heden omgaat, verwacht ik vervolgens aanzetten voor oplossingen voor deze vraagstukken te kunnen aanreiken.”

Frank J. Dietz

Dietz, F.J. (2018). Duurzame ontwikkeling en circulaire economie: Een pleidooi voor systeemdenken in het openbaar bestuur. Breda/Den Haag: Governance Connect en PRIMO Nederland. Link

Bosontwikkelingen, natuurwaarde en transectanalyse

Phases of development. Oldeman (1974)

Citaten van dit artikel van Oldeman et al. (1983), duiden op de volledig nieuwe aanpak van analyses in en van de Nederlandse bossen. Zij duiden de aanpak en de intentie van de methode van transectenanalyse.

Stichting Civitas Naturalis staat op het standpunt dat deze methode ook toepasbaar is ook in diagnose van het publieke domein, waar organisaties in een ecosysteem van stad of regio functioneren.

Dit artikel schetst een langere geschiedenis die gaat van traditionele mens-gedreven naar op de essentie van ecosystemen gerichte methoden. Elke tijd of haar eigen methoden. De methoden zeggen dus ook iets over de tijdsgeest en haar denkwijzen en aannames. Daarom geeft in ons beeld dit artikel een iconisch tijdsbeeld van de overgang tussen twee geschetste werelden. De wetenschap schrijdt voort. De transectenanalyse als methodiek is een grote stap voorwaarts omdat het aan de 3-dimensionale denkwereld een vierde dimensie heeft toegevoegd, dankzij wetenschappers zoals Roelof A. A. Oldeman, namelijk die van de tijd.

Summary

“Forest development, natural values and transect analysis: The authors give a short evaluation of statistical and structural methods of forest analysis, their background and their possibilities of predicting developments. A case study of the application of architectural analysis is presented on a transect (fig. 7) in a broadleaved brookside forest along the “Reusel”-brook near Hilvarenbeek (Brabant, the Netherlands). This study allowed to check and to invalidate statements made by the Brabant Environmental Federation and the former Minister of Culture, Recreation and Social work as to the nature-destroying effects of a thinning two years earlier. The need for fast and precise diagnostic research preceding decisions on forest policy and management is stressed.”

Quotes

“Gedurende ruim twee eeuwen bosbouwkundig beheer en onderzoek zijn allerlei methoden ontwikkeld om momentopnamen van bos te maken en vast te leggen. Op basis van zulke gegevens moesten de geschiktheid van bos voor bepaalde functies en de prognoses voor de bosontwikkelingen worden vastgesteld. Vooral in de eerste van deze twee eeuwen lag er een zwaar accent op herstel van gedegradeerde bossen en op houtproduktie in een nogal houtarm geworden West Europa. Daarom kwam bij de meettechnieken het zwaartepunt te liggen bij houtvolume en aanwas van bomen. De resultaten werden en worden meestal vastgelegd in statistische kengetallen, zoals stamtal, opperhoogte, gemiddelde hoogte, gemiddelde diameter al dan niet met spreiding of “range”, grondvlak, volume of lopende en gemiddelde aanwas. Daarnaast worden grootheden als kroonbedekkingsgraad, mengverhouding in meersoortige bossen of diameterverdeling in uitkapbossen bepaald.”

“Al deze kengetallen ontlenen hun zin aan de veronderstelling dat het beschreven stuk bos voor wat betreft de gemeten kenmerken homogeen is. Voor zo’n stuk bos is dan een dergelijk kengetal representatief. Ditzelfde geldt mutatis mutandis voor de klassieke vegetatieopnamen, berustend op soortenlijsten, -frequenties en bedekkingsgraden zoals volgens de methoden die stoelen op de denkbeelden van Braun Blanquet. Diens derde opvolger in Montpellier, Godron, worstelde een heel proefschrift lang met de statistische definitie van het vegetatieoppervlak waarvoor zulke gegevens representatief zijn, en dat dus homogeen mag worden geacht (Godron, 1971).”

Ad fig. Bomen in verschillende groeifasen spelen verschillende rollen in de architectuur van het hier geschematiseerde “rijpe” of biostatische loofbos. De heersende bomen (dikke lijnen) bepalen de architectuur in structuurlagen. De potentiële bomen (gestippeld) ondergaan deze laging en bepalen hem niet. Noteerde geassocieerde levensvormen. Uit Oldeman (1974). Trees in different growth phases play different roles in the architecture of a steady-state forest. Dominant trees (thick lines) determine a layering by structural sets. Potential trees (stippled) undergo this structure and do not determine it. Note associated life forms. From Oldeman (1974).

“Meer en meer stuit men thans op situaties waarin de beschouwde bosobjecten heterogeen zijn waar het belangrijke kenmerken en eigenschappen betreft. Die heterogeniteit kan berusten op wanorde (“verstoring”), zoals bij schade door wind of vuur, of op structuur. Deze twee zijn niet onafhankelijk, omdat veel bosstructuren op bepaalde schalen juist het antwoord zijn op wanordelijke gebeurtenissen. Levende structuren worden echter, in tegenstelling tot de resultaten van verstoringen gekenmerkt door het feit dat ze gegroeid zijn. Groei is georganiseerd. Of het nu om een boom of een bosperceel gaat, bepaalde goed te definiëren processen regelen de groei, en daarmede ook de structuur op elk gegeven moment van ontwikkeling.”

“Hier doet zich de behoefte voelen aan opnamemethoden die aan de heterogeniteit recht doen, die informatie verschaffen over variatie en die het specifieke vastleggen. Vooral in bossen komt men dit probleem steeds vaker tegen. In Nederland hangt dit dikwijls samen met de ontwikkeling van bossen die volgen op één of meer generaties pioniers. Waar beschermende functies of de aanwezigheid van ecologische variatie, van betekenis voor de nisvorming voor soorten, in het geding zijn is informatie over heterogeniteit, structuur en groeiprocessen gewenst. Deze zaken zijn niet zo zeer verbonden met de massa per hectare in een bos als wel met de gestructureerde verdeling van deze massa tussen planten en dieren….”

“.. Hier is dan ook voortgeborduurd op de transectanalyse met als oudste voorbeeld het bekende transectschema van Kraft (1884, zie Houtzagers, 1956, p. 257). Sedert Richards (1952) aan verscheidene tropische bostransecten (“profile diagrams”) wijde bekendheid gaf is duidelijk geworden dat er heel veel gemaakt zijn (zie ook Rollet, 1974). In principe beogen alle auteurs die transecten geproduceerd hebben, inzicht te geven in het bos. Dat doen ze enerzijds via kengetallen, maar anderzijds ook, indien een bepaalde vraagstelling dat eist, via grafische methoden. Deze hebben in beginsel veel gemeen met de werkwijzen die vanouds in de microscopie zijn gebruikt. Zoals onder het microscoop een plakje weefsel wordt gemeten en getekend, zo vertegenwoordigt een transect een plakje bos. En evenmin als men bij het ontwerpen van een gegeneraliseerd beeld van de bouw van een weefsel de gevonden celsoorten homogeen dooreen mengt, zo min mag men bij een totaalbeeld van een bos de elementen (bomen, struiken en onkruiden) losmaken van de structuur waarin ze aangetroffen worden.

Een transect kan op allerlei manieren worden weergegeven. Langs een lijn of strook door het landschap kan men bijvoorbeeld de soorten rangschikken die van meter tot meter gevonden worden, of de biomassa schatten. Dit levert soortenlijsten of biomassagrafieken uitgezet tegen één ruimtelijke coördinaat. Het is duidelijk dat dit voor planten wel, maar voor dieren geen betekenis heeft. Voegt men een tweede ruimtelijke coördinaat toe dan ontstaat een oppervlakte. In dat geval worden meestal de resultaten getekend: bij hoogte/afstand ontstaat een profieldiagram, bij breedte/afstand een kaart of plattegrond. Gebruikt men beide tezamen dan ontstaat een drie-dimensionaal beeld van het onderzochte bos: een knap graficus zoals N. Hallé (in Aubréville, 1965) maakt daar één “diepte-beeld” van (fig. 1). Alle tot hier toe opgenoemde resultaten van transectonderzoek zijn momentopnamen.

Een eerste aanzet om ook de tijd, als vierde dimensie mee te nemen, waardoor uit transecten iets over historie en toekomstmogelijkheden kan worden afgelezen, is bijvoorbeeld de analyse door Zukrigl et al. (1963) in oerwoudresten in Neder-Oostenrijk. Deze auteurs geven ook het dode en gevallen hout en de stobben weer, zodat een vroegere toestand via de sporen die hij achterliet kan worden benaderd (fig. 2). Gebruik makend van groeiringanalyse en dood-hout-onderzoek reconstrueerde Oliver (1978) zeventig jaar historie van een eiken-esdoornbos in Massachusetts, in étappes van tien jaar. Deze methode was vanzelfsprekend destructief: het gehele perceel bos moest ervoor worden gekapt (fig. 3). Tenslotte bleek uit het onderzoek door Hallé en Oldeman (1970) en Oldeman (1974) aan tropische bomen, dat niet alleen in de groeiringen maar ook in de morfologische architectuur van de bomen een zeker chronologische boodschap school….”

“…Evenals men in de ontwikkeling van een boom of struik ontwikkelingsétappes kan onderscheiden, zo kan ook in de ontwikkeling van een stuk bos dat op eenzelfde ogenblik aan het verjongingsproces begonnen is, een verjongingseenheid, een serie ontwikkelingsfasen onderscheiden worden. Vanouds zijn die bekend als zaailing-, staken-, boom- en vervalsfase. In feite heeft men weer een opvolging van potentieel, heersend en aftakelend, maar nu op een hogere schaal dan die van de individuele boom. Om deze duidelijk te onderscheiden gebruiken wij de naamgeving volgens Bormann en Likens (1979): groeiend bos verkeert in een aggradafiefase, of opbouwfase, “volwassen” bos in een biostatische fase (“steady state” is moeilijk vertaalbaar), en vervallend bos in een degradatiefase of vervalsfase. Een en ander is weergegeven op figuur 6. In de aggradatiefase bevat het bos alleen potentiële, soms wat aftakelende bomen en struiken: hier zijn de statistische methoden toepasbaar. De potentiële bomen structureren het bos weinig en concurreren slechts onderling. In de biostatische fase zijn er heersende bomen en struiken (fig. 5) die de laging bepalen, potentiële bomen die in een ondergeschikte positie staan te wachten en de effecten van de laging ondergaan, en soms resten van afgetakelde bomen. In deze fase zijn potentiële bomen degenen die nog niet meedoen aan laging. Tenslotte vertoont de degradatiefase veel aftakelende bomen en daartussen potentiële bomen die weer aan de groei zijn, of het nu zaailingen of vroeger onderdrukte schaduwsoorten zijn. Potentiële bomen worden gekenmerkt door een hoge H/D-verhouding; bij heersende bomen is deze duidelijk lager (Oldeman 1974).

Tenslotte kan door middel van deze architectuurtekeningen de ruimtelijke rangschikking worden weergegeven van nissen voor allerlei andere organismen: zwammen, mossen, kruiden en andere kleine zaadplanten, insekten (Stocki, 1981), zoogdieren (Van Vuure, 1983) of vogels (Komdeur en Vestjens, 1982). Maar niet alleen de ruimtelijke verdeling kan worden aangegeven. Ook kan worden voorspeld wanneer zo’n nis tengevolge van de bosontwikkeling verschijnt of verdwijnt. Dit geldt zowel in gevallen waarin de mens niet ingrijpt als in die waarin de mens wel ingrijpt. Deze soort analyse biedt vele praktische mogelijkheden om vragen op allerlei gebied te beantwoorden. Voor het natuurbeheer, in het bijzonder het soortenbeheer, is het van belang te weten waar, wanneer en voor hoelang er levensruimte voor bepaalde soorten te verwachten is. Maar ook wanneer men denkt aan bepaalde opbrengsten in bosteeltsystemen is een duidelijk beeld van de nissen die men voor de betreffende planten moet creëren van groot belang.”

Bibliography

Godron, M. (1971). Essai sur une approche probabiliste de l’écologie des végétaux. Diss. Univ. Montpellier (CNRS nr. AO 2820). 247 p.

Houtzagers, G. 1956. Houtteelt der gematigde luchtstreek (2). Zwolle: Tjeenk Willink. 438 p.

Oldeman, R.A.A. (1974). L’architecture de la forêt guyanaise. Mémoires ORSTOM, 73. p.204.

R. A. A. Oldeman, J. J. Westra en O. R. Tenge (1983) Bosontwikkelingen, natuurwaarde en transectanalyse. Nederlands Bosbouwtijdschrift: 55-6, p.242-257. Lees meer

Richards, P. W. 1952. The tropical rain forest. Cambridge Univ. Press. 450 p.

Zukrigl, K., G. Eckhart, & J. Nather, (1963). Standortskundliche und waldbauliche Untersuchungen in Urwaldresten der niederösterreichischen Kalkalpen. Mitt. Forstl. Bundesversuchsanstalt, Wien, nr. 62.244 p.

 

 

Pluridisciplinary approach

Jack Kruf

“The main thing in Oldeman’s work is that he created a methodology made up of a whole set of perfectly articulated morphogenetic, ecological and physiological concepts allowing the structural analysis of the populations of trees … in all regions of the world.”

This quote in the introduction of the highly respected George Mangenot in the introduction of the thesis of Oldeman says it all. In the design of this new approach of diagnosing forest and what really ‘drives’ them to be what they are is truly a scientific breakthrough at the beginning of the seventies.

The pluridisciplinarity of this approach is the key to get the right picture. What makes it special is that indigenous tribes living in these forests, when seeing the transect designs, could easily point the existing niches in the ecosystem. Quite essential and proof of how Oldeman came close to reality by connecting six different approaches in one picture.

The main lesson for all managers, strategists, researchers and advisors can be derived: combine different approaches, angles and perspectives at the same time to get the right picture of the issue you are working on. ‘Pluridisciplinarity’ is the word. It is key. It is the only road.

L’essentiel, dans l’œuvre d’Oldeman, est qu’il a créé une méthodologie faite de tout un ensemble parfaitement articulé de concepts morphogénétiques, écologiques et physiologiques permettant l’analyse structurale des populations d’arbres, en majorité dicotylédoniens, dans toutes les régions du monde. Un récent essai, inédit, de l’auteur, sur une forêt du Massachusetts a montré qu’il est possible, par les méthodes éprouvées en Guyane, de l’expliquer et de comprendre les profondes différences la distinguant des forêts équatoriales,. le caractère souple et adaptable du système oldemanien est ainsi mis en évidence. George Mangenot, Professor Botanique Sorbonne University, Paris.

Oldeman, R.A.A. (1974a, 2nd ed.). L’architecture de la forêt guyanaise. Mémoires ORSTOM, 73. https://lnkd.in/dMqJhEY

La révélation de leur harmonie (forêts)

Je tâchais de découvrir, dans les bruits des forêts et des flots, des mots que les autres hommes n’entendaient point, et j’ouvrais l’oreille pour écouter la révélation de leur harmonie.– Gustave Flaubert (1842)

Bibliography

Flaubert, G. (1842). Novembre. Online on 21 July 2020: https://fr.wikisource.org/wiki/Novembre_(Flaubert)

Flaubert, G., (2000, ed. Arvensa Editions and Fb Editions). Novembre. Paris: Librairie Générale Française. 123 p.

Gustave Flaubert (December 12, 1821 – May 8, 1880) is counted among the greatest Western novelists. He was born in Rouen, Seine-Maritime, in the Haute-Normandie Region of France.

Phases (forest) architecture

All forests can be characterized by a sum of eco-units. Every unit has its own state or phase. So a forest is actually a palette, or better a mosaic, an abundant and biodiverse collection of eco-units. This mosaic is the balancing act of the. Every unit has its own state, its specific dynamics and with that its species, processes, habitats and niches. An ecosystem is not one steady state, but a collection of states.

In forest ecology the approach of diagnosis of this state is advanced and scientifically developed by Oldeman (1990). In his forest diagnosis and design of the forest he combined different sciences and approaches and brought them together in a understandable set of phases of forest architecture.

It is an assumption that also cities and within that organisations, the true components of society, follow the same patterns as forests do. Why should they not if they are considered as belonging to the earth ecosystem. That cities and organisations also have a palette of eco-units is plausible.

Oldeman elaborated the phases of architecture of innovation, aggradation, biostatis (maturity) and degradation.

Bibliography

Oldeman, R.A.A. (1990). Forests: Elements of Silvology. Berlin Heidelberg: Springer-Verlag.