Deforestation fronts

WWF (2021) Deforestation Fronts: About drivers and responses in a changing world.

“The causes, pace and magnitude of deforestation and forest degradation have changed over time. The way that different causes of deforestation link together and the effects they have on forests varies across regions. Globally, a multitude of approaches have been implemented to halt deforestation and forest degradation. While progress has been made in halting forest loss and degradation, both continue at alarming rates.

This report provides a comprehensive analysis of deforestation connecting drivers and responses globally by taking a closer look at 24 “deforestation fronts” – places that have a significant concentration of deforestation hotspots and where large areas of remaining forests are under threat. Over 43 million hectares were lost in these fronts between 2004 and 2017, an area roughly the size of Morocco.

The analysis presented here focuses on the tropics and sub-tropics, which accounted for at least two-thirds of global forest cover loss from 2000 to 2018 and where forest fragmentation is significant. Nearly half of the standing forests in these 24 deforestation fronts have suffered some type of fragmentation. Deforestation tends to oscillate over time. Recent trends indicate that deforestation will persist in these fronts unless there is collective action and more integrated approaches tailored to each front. To be more effective, the different responses to halt deforestation and forest degradation have to reinforce each other.”

De bril van systeemdenken

Het belang van systeemdenken bij het vinden van oplossingen van voorliggende vraagstukken is groot. Het blijft een uitdaging, omdat dit bovenal complex is en begrepen dient te worden door de onderdelen van het systeem. Het leren van natuurlijke ecosystemen is voor de hand liggend. Dr. Frank J. Dietz (2018, p.3) van het Planbureau voor de Leefomgeving, poogt in zijn Oldeman lezing een brug te slaan. Quote:

“In een eerste verkenning probeer ik zicht te geven op wat een circulaire economie is en voor welke problemen – of zo u wilt voor welke maatschappelijke uitdagingen – een circulaire economie oplossingen biedt. Dat vraagt om een analyse van de samenleving waarvoor ik de bril van het systeemdenken opzet.

Dat biedt de mogelijkheid om op een vergelijkbare manier als waarop Roelof A.A. Oldeman het functioneren van bossen heeft bestudeerd, het functioneren van de menselijke samenleving te analyseren. Ik beoog daarmee op een wetenschappelijk gefundeerde manier de uitdagingen die toenemende milieuvervuiling, klimaatverandering en afnemende biodiversiteit stellen, te begrijpen. Daarin worden verschijnselen niet (alleen) op basis van min of meer geïsoleerde oorzaak-gevolgketens verklaard, maar als een samenspel van op elkaar reagerende elementen en deelsystemen waarin terugkoppelingen een belangrijke rol spelen. En met een beter begrip van de uitdagingen en de manier waarop de samenleving daarmee tot op heden omgaat, verwacht ik vervolgens aanzetten voor oplossingen voor deze vraagstukken te kunnen aanreiken.”

Frank J. Dietz

Dietz, F.J. (2018). Duurzame ontwikkeling en circulaire economie: Een pleidooi voor systeemdenken in het openbaar bestuur. Breda/Den Haag: Governance Connect en PRIMO Nederland. Link

Bosontwikkelingen, natuurwaarde en transectanalyse

Phases of development. Oldeman (1974)

Citaten van dit artikel van Oldeman et al. (1983), duiden op de volledig nieuwe aanpak van analyses in en van de Nederlandse bossen. Zij duiden de aanpak en de intentie van de methode van transectenanalyse.

Stichting Civitas Naturalis staat op het standpunt dat deze methode ook toepasbaar is ook in diagnoses van het publieke domein, waar organisaties of groepen als ware in een ecosysteem van stad of regio functioneren.

Dit artikel schetst een langere geschiedenis die gaat van traditionele mens-gedreven naar op de essentie van ecosystemen gerichte methoden. Elke tijd of haar eigen methoden. De methoden zeggen dus ook iets over de tijdsgeest en haar denkwijzen en aannames. Daarom geeft in ons beeld dit artikel een iconisch tijdsbeeld van de overgang tussen twee geschetste werelden. De wetenschap schrijdt voort. De transectenanalyse als methodiek is een grote stap voorwaarts omdat het aan de 3-dimensionale denkwereld een vierde dimensie heeft toegevoegd, dankzij wetenschappers zoals Roelof A. A. Oldeman, namelijk die van de tijd.

Summary

“Forest development, natural values and transect analysis: The authors give a short evaluation of statistical and structural methods of forest analysis, their background and their possibilities of predicting developments. A case study of the application of architectural analysis is presented on a transect (fig. 7) in a broadleaved brookside forest along the “Reusel”-brook near Hilvarenbeek (Brabant, the Netherlands). This study allowed to check and to invalidate statements made by the Brabant Environmental Federation and the former Minister of Culture, Recreation and Social work as to the nature-destroying effects of a thinning two years earlier. The need for fast and precise diagnostic research preceding decisions on forest policy and management is stressed.”

Quotes

“Gedurende ruim twee eeuwen bosbouwkundig beheer en onderzoek zijn allerlei methoden ontwikkeld om momentopnamen van bos te maken en vast te leggen. Op basis van zulke gegevens moesten de geschiktheid van bos voor bepaalde functies en de prognoses voor de bosontwikkelingen worden vastgesteld. Vooral in de eerste van deze twee eeuwen lag er een zwaar accent op herstel van gedegradeerde bossen en op houtproduktie in een nogal houtarm geworden West Europa. Daarom kwam bij de meettechnieken het zwaartepunt te liggen bij houtvolume en aanwas van bomen. De resultaten werden en worden meestal vastgelegd in statistische kengetallen, zoals stamtal, opperhoogte, gemiddelde hoogte, gemiddelde diameter al dan niet met spreiding of “range”, grondvlak, volume of lopende en gemiddelde aanwas. Daarnaast worden grootheden als kroonbedekkingsgraad, mengverhouding in meersoortige bossen of diameterverdeling in uitkapbossen bepaald.”

“Al deze kengetallen ontlenen hun zin aan de veronderstelling dat het beschreven stuk bos voor wat betreft de gemeten kenmerken homogeen is. Voor zo’n stuk bos is dan een dergelijk kengetal representatief. Ditzelfde geldt mutatis mutandis voor de klassieke vegetatieopnamen, berustend op soortenlijsten, -frequenties en bedekkingsgraden zoals volgens de methoden die stoelen op de denkbeelden van Braun Blanquet. Diens derde opvolger in Montpellier, Godron, worstelde een heel proefschrift lang met de statistische definitie van het vegetatieoppervlak waarvoor zulke gegevens representatief zijn, en dat dus homogeen mag worden geacht (Godron, 1971).”

Ad fig. Bomen in verschillende groeifasen spelen verschillende rollen in de architectuur van het hier geschematiseerde “rijpe” of biostatische loofbos. De heersende bomen (dikke lijnen) bepalen de architectuur in structuurlagen. De potentiële bomen (gestippeld) ondergaan deze laging en bepalen hem niet. Noteerde geassocieerde levensvormen. Uit Oldeman (1974). Trees in different growth phases play different roles in the architecture of a steady-state forest. Dominant trees (thick lines) determine a layering by structural sets. Potential trees (stippled) undergo this structure and do not determine it. Note associated life forms. From Oldeman (1974).

“Meer en meer stuit men thans op situaties waarin de beschouwde bosobjecten heterogeen zijn waar het belangrijke kenmerken en eigenschappen betreft. Die heterogeniteit kan berusten op wanorde (“verstoring”), zoals bij schade door wind of vuur, of op structuur. Deze twee zijn niet onafhankelijk, omdat veel bosstructuren op bepaalde schalen juist het antwoord zijn op wanordelijke gebeurtenissen. Levende structuren worden echter, in tegenstelling tot de resultaten van verstoringen gekenmerkt door het feit dat ze gegroeid zijn. Groei is georganiseerd. Of het nu om een boom of een bosperceel gaat, bepaalde goed te definiëren processen regelen de groei, en daarmede ook de structuur op elk gegeven moment van ontwikkeling.”

“Hier doet zich de behoefte voelen aan opnamemethoden die aan de heterogeniteit recht doen, die informatie verschaffen over variatie en die het specifieke vastleggen. Vooral in bossen komt men dit probleem steeds vaker tegen. In Nederland hangt dit dikwijls samen met de ontwikkeling van bossen die volgen op één of meer generaties pioniers. Waar beschermende functies of de aanwezigheid van ecologische variatie, van betekenis voor de nisvorming voor soorten, in het geding zijn is informatie over heterogeniteit, structuur en groeiprocessen gewenst. Deze zaken zijn niet zo zeer verbonden met de massa per hectare in een bos als wel met de gestructureerde verdeling van deze massa tussen planten en dieren….”

“.. Hier is dan ook voortgeborduurd op de transectanalyse met als oudste voorbeeld het bekende transectschema van Kraft (1884, zie Houtzagers, 1956, p. 257). Sedert Richards (1952) aan verscheidene tropische bostransecten (“profile diagrams”) wijde bekendheid gaf is duidelijk geworden dat er heel veel gemaakt zijn (zie ook Rollet, 1974). In principe beogen alle auteurs die transecten geproduceerd hebben, inzicht te geven in het bos. Dat doen ze enerzijds via kengetallen, maar anderzijds ook, indien een bepaalde vraagstelling dat eist, via grafische methoden. Deze hebben in beginsel veel gemeen met de werkwijzen die vanouds in de microscopie zijn gebruikt. Zoals onder het microscoop een plakje weefsel wordt gemeten en getekend, zo vertegenwoordigt een transect een plakje bos. En evenmin als men bij het ontwerpen van een gegeneraliseerd beeld van de bouw van een weefsel de gevonden celsoorten homogeen dooreen mengt, zo min mag men bij een totaalbeeld van een bos de elementen (bomen, struiken en onkruiden) losmaken van de structuur waarin ze aangetroffen worden.

Een transect kan op allerlei manieren worden weergegeven. Langs een lijn of strook door het landschap kan men bijvoorbeeld de soorten rangschikken die van meter tot meter gevonden worden, of de biomassa schatten. Dit levert soortenlijsten of biomassagrafieken uitgezet tegen één ruimtelijke coördinaat. Het is duidelijk dat dit voor planten wel, maar voor dieren geen betekenis heeft. Voegt men een tweede ruimtelijke coördinaat toe dan ontstaat een oppervlakte. In dat geval worden meestal de resultaten getekend: bij hoogte/afstand ontstaat een profieldiagram, bij breedte/afstand een kaart of plattegrond. Gebruikt men beide tezamen dan ontstaat een drie-dimensionaal beeld van het onderzochte bos: een knap graficus zoals N. Hallé (in Aubréville, 1965) maakt daar één “diepte-beeld” van (fig. 1). Alle tot hier toe opgenoemde resultaten van transectonderzoek zijn momentopnamen.

Een eerste aanzet om ook de tijd, als vierde dimensie mee te nemen, waardoor uit transecten iets over historie en toekomstmogelijkheden kan worden afgelezen, is bijvoorbeeld de analyse door Zukrigl et al. (1963) in oerwoudresten in Neder-Oostenrijk. Deze auteurs geven ook het dode en gevallen hout en de stobben weer, zodat een vroegere toestand via de sporen die hij achterliet kan worden benaderd (fig. 2). Gebruik makend van groeiringanalyse en dood-hout-onderzoek reconstrueerde Oliver (1978) zeventig jaar historie van een eiken-esdoornbos in Massachusetts, in étappes van tien jaar. Deze methode was vanzelfsprekend destructief: het gehele perceel bos moest ervoor worden gekapt (fig. 3). Tenslotte bleek uit het onderzoek door Hallé en Oldeman (1970) en Oldeman (1974) aan tropische bomen, dat niet alleen in de groeiringen maar ook in de morfologische architectuur van de bomen een zeker chronologische boodschap school….”

“…Evenals men in de ontwikkeling van een boom of struik ontwikkelingsétappes kan onderscheiden, zo kan ook in de ontwikkeling van een stuk bos dat op eenzelfde ogenblik aan het verjongingsproces begonnen is, een verjongingseenheid, een serie ontwikkelingsfasen onderscheiden worden. Vanouds zijn die bekend als zaailing-, staken-, boom- en vervalsfase. In feite heeft men weer een opvolging van potentieel, heersend en aftakelend, maar nu op een hogere schaal dan die van de individuele boom. Om deze duidelijk te onderscheiden gebruiken wij de naamgeving volgens Bormann en Likens (1979): groeiend bos verkeert in een aggradafiefase, of opbouwfase, “volwassen” bos in een biostatische fase (“steady state” is moeilijk vertaalbaar), en vervallend bos in een degradatiefase of vervalsfase. Een en ander is weergegeven op figuur 6. In de aggradatiefase bevat het bos alleen potentiële, soms wat aftakelende bomen en struiken: hier zijn de statistische methoden toepasbaar. De potentiële bomen structureren het bos weinig en concurreren slechts onderling. In de biostatische fase zijn er heersende bomen en struiken (fig. 5) die de laging bepalen, potentiële bomen die in een ondergeschikte positie staan te wachten en de effecten van de laging ondergaan, en soms resten van afgetakelde bomen. In deze fase zijn potentiële bomen degenen die nog niet meedoen aan laging. Tenslotte vertoont de degradatiefase veel aftakelende bomen en daartussen potentiële bomen die weer aan de groei zijn, of het nu zaailingen of vroeger onderdrukte schaduwsoorten zijn. Potentiële bomen worden gekenmerkt door een hoge H/D-verhouding; bij heersende bomen is deze duidelijk lager (Oldeman 1974).

Tenslotte kan door middel van deze architectuurtekeningen de ruimtelijke rangschikking worden weergegeven van nissen voor allerlei andere organismen: zwammen, mossen, kruiden en andere kleine zaadplanten, insekten (Stocki, 1981), zoogdieren (Van Vuure, 1983) of vogels (Komdeur en Vestjens, 1982). Maar niet alleen de ruimtelijke verdeling kan worden aangegeven. Ook kan worden voorspeld wanneer zo’n nis tengevolge van de bosontwikkeling verschijnt of verdwijnt. Dit geldt zowel in gevallen waarin de mens niet ingrijpt als in die waarin de mens wel ingrijpt. Deze soort analyse biedt vele praktische mogelijkheden om vragen op allerlei gebied te beantwoorden. Voor het natuurbeheer, in het bijzonder het soortenbeheer, is het van belang te weten waar, wanneer en voor hoelang er levensruimte voor bepaalde soorten te verwachten is. Maar ook wanneer men denkt aan bepaalde opbrengsten in bosteeltsystemen is een duidelijk beeld van de nissen die men voor de betreffende planten moet creëren van groot belang.”

Bibliography

Godron, M. (1971). Essai sur une approche probabiliste de l’écologie des végétaux. Diss. Univ. Montpellier (CNRS nr. AO 2820). 247 p.

Houtzagers, G. 1956. Houtteelt der gematigde luchtstreek (2). Zwolle: Tjeenk Willink. 438 p.

Oldeman, R.A.A. (1974). L’architecture de la forêt guyanaise. Mémoires ORSTOM, 73. p.204.

R. A. A. Oldeman, J. J. Westra en O. R. Tenge (1983) Bosontwikkelingen, natuurwaarde en transectanalyse. Nederlands Bosbouwtijdschrift: 55-6, p.242-257. Lees meer

Richards, P. W. 1952. The tropical rain forest. Cambridge Univ. Press. 450 p.

Zukrigl, K., G. Eckhart, & J. Nather, (1963). Standortskundliche und waldbauliche Untersuchungen in Urwaldresten der niederösterreichischen Kalkalpen. Mitt. Forstl. Bundesversuchsanstalt, Wien, nr. 62.244 p.

 

 

Forests and SDG 13: Climate action

Sustainable Development goals

The Sustainable Development Goals are the blueprint to achieve a better and more sustainable future for all. They address the global challenges we face, including those related to poverty, inequality, climate change, environmental degradation, peace and justice. The 17 Goals are all interconnected, and in order to leave no one behind, it is important that we achieve them all by 2030. 

Forests matter

Forests as regulators and stabilisers for the climate are most relevant. Forest are CO2 binders and for this reason, they play a key role in the carbon cycle. With their ecosystems, they regulate and protect biodiversity. It is estimated that deforestation and forest degradation cause 10 to 15% of global CO2 emissions, according The International Union for Conservation of Nature (IUCN). Rebuilding and restoring forests highly matter from the perspective of this sustainable development goal.

UN Environment Programme: “Climate change is increasing the frequency and intensity of extreme weather events such as heatwaves, droughts, floods and tropical cyclones, aggravating water management problems, reducing agricultural production and food security, increasing health risks, damaging critical infrastructure and interrupting the provision of basic services such water and sanitation, education, energy and transport.”

Goal

Climate action.

Targets (related to the environment, 2030)

  • 13.1: Strengthen resilience and adaptive capacity to climate-related hazards and natural disasters in all countries.
  • 13.2: Integrate climate change measures into national policies, strategies and planning.
  • 13.3: Improve education, awareness-raising and human and institutional capacity on climate change mitigation, adaptation, impact reduction and early warning.
  • 13.a: Implement the commitment undertaken by developed-country parties to the United Nations Framework Convention on Climate Change to a goal of mobilizing jointly $100 billion annually by 2020 from all sources to address the needs of developing countries in the context of meaningful mitigation actions and transparency on implementation and fully operationalize the Green Climate Fund through its capitalization as soon as possible.
  • 13.b: Promote mechanisms for raising capacity for effective climate change-related planning and management in least developed countries and small island developing States, including focusing on women, youth and local and marginalized communities.

Het bos met rust willen laten

“Ik geloof het niet”, zei heer Ollie zorgelijk. “Het is jullie eigen schuld bedoel ik. Ik geloof dat jullie er alleen uit kunnen komen als je het bos met rust wilt laten. Dat geloof ik.”

Marten Toonder (1971) De Kwinkslagen.

Aspen Green

Pantone® 17-0215 TPG

A true colour from the forest, based on the Aspen tree species – the poplars – developed by Pantone® and part of Forest Select by the Civitas Naturalis Foundation to inspire designers in the use of the colours of the forest. The colour Pantone® 17-0215 TPG has an RGB value 131 154 121 and a hex/html value #839a79.

Marketeer Daniel Swanick on the explanation by The Pantone Color Institute related to a carmaker: “Green is the colour of balance and growth. Yet, it can mean both self-reliance as a positive and possessiveness as a negative. Peaceful forest was inspired by, well, the forest. In a forest full of greenery, we experience a recharging of the body’s lost balance and energy.” KIA decided to use Pantone® Aspen Green.

KIA car image with color Pantone® 17-0215 TPG.

Pluridisciplinary approach

“The main thing in Oldeman’s work is that he created a methodology made up of a whole set of perfectly articulated morphogenetic, ecological and physiological concepts allowing the structural analysis of the populations of trees … in all regions of the world.”

This quote in the introduction of the highly respected George Mangenot in the introduction of the thesis of Oldeman says it all. In the design of this new approach of diagnosing forest and what really ‘drives’ them to be what they are is truly a scientific breakthrough at the beginning of the seventies.

The pluridisciplinarity of this approach is the key to get the right picture. What makes it special is that indigenous tribes living in these forests, when seeing the transect designs, could easily point the existing niches in the ecosystem. Quite essential and proof of how Oldeman came close to reality by connecting six different approaches in one picture.

The main lesson for all managers, strategists, researchers and advisors can be derived: combine different approaches, angles and perspectives at the same time to get the right picture of the issue you are working on. ‘Pluridisciplinarity’ is the word. It is key. It is the only road.

L’essentiel, dans l’œuvre d’Oldeman, est qu’il a créé une méthodologie faite de tout un ensemble parfaitement articulé de concepts morphogénétiques, écologiques et physiologiques permettant l’analyse structurale des populations d’arbres, en majorité dicotylédoniens, dans toutes les régions du monde. Un récent essai, inédit, de l’auteur, sur une forêt du Massachusetts a montré qu’il est possible, par les méthodes éprouvées en Guyane, de l’expliquer et de comprendre les profondes différences la distinguant des forêts équatoriales,. le caractère souple et adaptable du système oldemanien est ainsi mis en évidence.

George Mangenot, Professor Botanique Sorbonne University, Paris.

Oldeman, R.A.A. (1974a, 2nd ed.). L’architecture de la forêt guyanaise. Mémoires ORSTOM, 73. https://lnkd.in/dMqJhEY

Forests and SDG 6: Clean water and sanitation

Sustainable Development goals

The Sustainable Development Goals are the blueprint to achieve a better and more sustainable future for all. They address the global challenges we face, including those related to poverty, inequality, climate change, environmental degradation, peace and justice. The 17 Goals are all interconnected, and in order to leave no one behind, it is important that we achieve them all by 2030. 

Forests matter

UN Environment Programme: Sustainable management of water resources and access to safe water and sanitation are essential for unlocking economic growth and productivity, and provide significant leverage for existing investments in health and education. The natural environment e.g. forests, soils and wetlands contributes to management and regulation of water availability and water quality, strengthening the resilience of watersheds and complementing investments in physical infrastructure and institutional and regulatory arrangements for water access, use and disaster preparedness. Water shortages undercut food security and the incomes of rural farmers while improving water management makes national economies, the agriculture and food sectors more resilient to rainfall variability and able to fulfil the needs of growing population. Protecting and restoring water-related ecosystems and their biodiversity can ensure water purification and water quality standards.

SDG 6: Clean water and sanitation

Goal

Ensure availability and sustainable management of water and sanitation for all.

Targets (related to the environment, 2030)

  • 6.1: achieve universal and equitable access to safe and affordable drinking water for all.
  • 6.3: improve water quality by reducing pollution, eliminating dumping and minimizing release of hazardous chemicals and materials, halving the proportion of untreated wastewater and substantially increasing recycling and safe reuse globally.
  • 6.4: substantially increase water-use efficiency across all sectors and ensure sustainable withdrawals and supply of freshwater to address water scarcity and substantially reduce the number of people suffering from water scarcity.
  • 6.5: implement integrated water resources management at all levels, including through transboundary cooperation as appropriate.
  • 6.6: protect and restore water-related ecosystems, including mountains, forests, wetlands, rivers, aquifers and lakes.
  • 6.a: expand international cooperation and capacity-building support to developing countries in water- and sanitation-related activities and programmes, including water harvesting, desalination, water efficiency, wastewater treatment, recycling and reuse technologies.
  • 6.b: support and strengthen the participation of local communities in improving water and sanitation management.

La révélation de leur harmonie (forêts)

Je tâchais de découvrir, dans les bruits des forêts et des flots, des mots que les autres hommes n’entendaient point, et j’ouvrais l’oreille pour écouter la révélation de leur harmonie.

Gustave Flaubert (1842)

(english: “I tried to discover, in the rumor of forests and waves, words that other men could not hear, and I pricked up my ears to listen to the revelation of their harmony”).

Bibliography

Flaubert, G. (1842). Novembre. Online on 21 July 2020: https://fr.wikisource.org/wiki/Novembre_(Flaubert)

Flaubert, G., (2000, ed. Arvensa Editions and Fb Editions). Novembre. Paris: Librairie Générale Française. 123 p.

Gustave Flaubert (December 12, 1821 – May 8, 1880) is counted among the greatest Western novelists. He was born in Rouen, Seine-Maritime, in the Haute-Normandie Region of France.

Bosbouw en roulette

Opening van de Studiekringdag 1983 van de Koninklijke Nederlandse Bosbouwvereniging door de voorzitter Prof. dr. ir. R.A.A. Oldeman.*

Roulette (spel). Bron: Wikipedia.

“Dames en heren,

Uit de strategische overwegingen van de KNBV blijkt, dat alom grote behoefte bestaat aan klaarheid over de economische kant van de bosbouw. Aan het begin van deze studiekringdag wil ik daarom uw aandacht vragen voor de economisch relevante aspecten van de vorige drie studiekringdagen en van de huidige. Ik zal dat doen aan de hand van een vergelijking. In die vergelijking gaat er gelukkig een en ander mank, en ook dat zal ik u signaleren.

Stel dat een boseigenaar, houtvester of rentmeester bosaanleg of bosverjonging overweegt op een bepaald oppervlak en met een omloop van vijftig jaar. De kosten kunnen dan worden beschouwd als de inzet bij een roulettespel. De roulette draait hoogstens vijftig jaar, en komt het verhoopte nummer eruit dan wordt het maximale rendement verkregen. De roulette kan echter ook eerder tot stilstand komen. Dat gebeurt heel vaak. In ongeveer tien jaar tijd hebben wij dat meegemaakt met twee zware stormen, vier extra droge jaren, verscheidene epidemieën en een extra strenge winter. In bepaalde gevallen is de inzet geheel verloren met de vernietiging van opstanden. In andere gevallen komt de inzet er nog net uit, een “eigen geldje” in de vorm van voldoende natuurlijke verjonging of opbrengsten uit gevallen hout. Ook kan men denken aan uitkering van verdubbelde inzet, een soort “even of oneven”, als het meevalt.

Vertaald in economische termen hebben wij het over risicofactoren. In de vorige en in de huidige studiekringdagen vindt men alle mogelijke ingangen om daarmee rekening te houden. Dat zijn bij voorbeeld verwoestingsoorzaken, schaal van verjonging, soortenkeus, weerstand en veerkracht van bossen. Vandaag ligt de nadruk op de chemische risico’s.

Deze benadering, het zij onderstreept, strookt nauwelijks met die van de opbrengsttabellen. Bij het opstellen van zulke tabellen is aangenomen dat het resultaat aan het einde van een omloop met vrijwel complete zekerheid kan worden gerealiseerd. Dat denkbeeld is meer dan een eeuw oud, en het is aantoonbaar onjuist. Het sproot voort uit produktiemodellen waarin de inzet van menselijk handelen met grote zekerheid gelijk op gaat met de voortbrenging van produkten, zoals in de industrie. In de landbouw verlaat men deze redenering thans onopvallend. Er bestaat een computerattenderingsdienst voor boeren, die een seintje geeft op het tijdstip dat bij een bepaald gewas een bepaalde ingreep nodig is. Sedert kort is er een onderzoeksprogramma gestart om hierin een veel belangrijker plaats toe te kennen aan toevalsfactoren.

Het bos heeft namelijk van nature ingebouwde zekerheden, juist omdat die levensgemeenschap zelf aan deze risico’s blootstaat. De defensieve eigenschappen van het bos, in termen van structuren en aantallen… biomassa en stofomzetting.

In de bosbouw met zijn lange omlopen ligt de zaak anders. Dat landbouwprogramma kan niet zonder meer worden geïmiteerd. Toch zijn we gelukkig niet volledig verstrikt in een roulettespel, hoe belangrijk de risicofactoren ook zijn. Het bos heeft namelijk van nature ingebouwde zekerheden, juist omdat die levensgemeenschap zelf aan deze risico’s blootstaat. De defensieve eigenschappen van het bos, in termen van structuren en aantallen, zijn de vorige drie studiekringdagen uitgebreid aan de orde geweest. Vandaag worden ze behandeld in termen van vooral biomassa en stofomzetting.

Het gebruik van door evolutie ontstane natuurlijke eigenschappen van bomen en bos ter verhoging van de zekerheid van de opbrengstverwachtingen is altijd een kernthema geweest in de “natuurgetrouwe” bos- bouw (“naturgemasse Waldwirtschaft”). In Nederland zijn echter de groeiplaatsen allang niet meer natuurlijk, evenmin als de boslevensgemeenschappen met hun ingekruiste inheemse en hun exotische soorten. De natuurgetrouwe redenering in zijn Duitse vorm is hier te lande dan ook niet ongewijzigd bruikbaar. Ook bij onze Oosterburen is hij overigens eigenlijk door de maatschappelijke ontwikkelingen achterhaald: het luchtvervuilingseffect gooit bijna letterlijk roet in het eten. Ieder die dergelijke vraagstukken denkt op te lossen door het “terugdraaien” van ontwikkelingen geeft blijk van een museummentaliteit, op zichzelf respectabel, maar inefficiënt in dit verband. Terug naar vroeger is immers uitgesloten. Economisch betekent het nog iets ergers dan roulette spelen, namelijk geld weggooien. Dat geldt voor de produktiefunctie evengoed als voor de natuur- en recreatiefuncties.

Geen bosbouweconomie is relevant, die niet elementen uit de verzekerings- en uit de produktieeconomie integreert. En op die basis is bosbouw niet mogelijk zonder daarbij behorende en daartoe ontworpen teeltsystemen en technische procédés.

Logo KNBV

Geen bosbouweconomie is relevant, die niet elementen uit de verzekerings- en uit de produktieeconomie integreert. En op die basis is bosbouw niet mogelijk zonder daarbij behorende en daartoe ontworpen teeltsystemen en technische procédés. Een eerste nog elementaire stap in die richting, met gebruik van hedendaagse hulpmiddelen, is het Hamburgse “Auermühle-model” (Brünig et al. 1975). Dat wordt reeds tien jaar in de praktijk toegepast. Het geeft een richting aan om beide thans verouderde benaderingen, de industriële monoculture en de natuurgetrouwe bosbouw, op constructieve wijze achter ons te laten. In andere landen is men ons dus weer voor. Dat is ook al niet verwonderlijk als men beseft dat gedurende tientallen jaren in ons land sterk onvoldoende aandacht aan fundamenteel bosonderzoek is besteed.

Met een aantal van de redeneringen die worden toegepast in nieuwe systemen, zoals het Hamburgse, komen wij vandaag in aanraking. De eerste twee preadviezen betreffen de produktie in het bos, en de organisatie daarvan in de bodem. Het derde preciseert de risicofactoren op het gebied van milieuvervuiling. Het laatste betreft de raakpunten tussen bosbouw en industriële economie. Verder kunt u, als nieuwigheid op deze studiekringdag, tentoongestelde documentatie en demonstratiemateriaal bekijken in de pauzes. Tenslotte vrees ik dat u, net als ik, een scheikundeboek uit de middelbare schooltijd zult moeten opdelven om alle preadviezen te begrijpen. Dat is niet alleen de moeite waard, het is nodig in de huidige vervuilde wereld.

In de hoop dat een vruchtbaar contact tussen praktijk en onderzoek ook vandaag ontstaat, open ik deze studiekringdag.”

Bibliografie

*Deze lezing komt uit het eigen werk van Prof. dr. ir. Roelof A.A. Oldeman en is tevens – zonder markeringen en bronvermeldingen – gepubliceerd.

Oldeman, R.A.A. (1983). Bosbouw en roulette. Nederlands Bosbouwtijdschrift, 56/4: 81-82.

Brünig, E.F., Schneider T.W. (1975). Forstgut Auermühle: Geschichte und Wirtschaftsgrundsätze. Hamburg: Reinbek, p. 68

Global Forest Resources Assessment 2020

This digital report contains the main findings of the Global Forest Resources Assessment 2020 (FRA 2020). It examines the status of, and trends in, more than 60 forest-related variables in 236 countries and territories in the period 1990–2020.

The information provided by FRA presents a comprehensive view of the world’s forests and the ways in which the resource is changing. Such a clear global picture supports the development of sound policies, practices and investments affecting forests and forestry.

FRA is the mechanism for collecting data on two forest-related indicators of the Sustainable Development Goals (SDGs), which the United Nations General Assembly adopted in 2015. Specifically, data submitted to FRA contribute to reporting on SDG indicator 15.1.1 (forest area as a proportion of total land area in 2015) and indicator 15.2.1 (progress towards sustainable forest management).

Key findings

  • Forests cover nearly one-third of the land globally. The world has a total forest area of 4.06 billion ha (9.9 billion acres), which is 31 percent of the total land area. This area is equivalent to 0.52 ha (1.3 acres) per person – although forests are not distributed equally among the world’s peoples or geographically. More than half (54 percent) of the world’s forests is in five countries: the Russian Federation, Brazil, Canada, the United States and China.
  • More than 90 percent of the world’s forests have regenerated naturally. Ninety-three percent (3.75 billion ha) of the forest area worldwide is composed of naturally regenerating forests. The area of naturally regenerating forests has decreased since 1990 (at a declining rate of loss), but the area of planted forests has increased by 123 million ha (304 million acres).
  • Plantations account for about 3 percent of the world’s forests. Plantation forests cover about 131 million ha (324 million acres), which is 3 percent of the global forest area and 45 percent of the total area of planted forests.
  • About 30 percent of all forests is used primarily for production. Globally, about 1.15 billion ha (2.84 billion acres) of forest is managed primarily for the production of wood and non-wood forest products. In addition, 749 million ha (1.85 billion acres) is designated for multiple use, which often includes production.
  • Total forest carbon stock is decreasing. The total carbon stock in forests decreased from 668 gigatons in 1990 to 662 gigatons in 2020; carbon density increased slightly over the same period, from 159 tons to 163 tons per ha.
  • The world’s forests are mostly publicly owned, but the share of privately owned forests has increased since 1990. Seventy-three percent of the world’s forests is under public ownership, 22 percent is privately owned, and the ownership of the remainder is categorized as either “unknown” or “other.”
  • More than 2 billion ha of forest has management plans. The area of global forest under management plans is increasing in all regions – globally, it has increased by 233 million ha (576 million acres) since 2000, reaching 2.05 billion ha (5 billion acres) in 2020.

Read more

Forests are the lungs

“A nation that destroys its soils destroys itself. Forests are the lungs of our land, purifying the air and giving fresh strength to our people.” 

Franklin D. Roosevelt

Forest Shade

Pantone® 15-6423 TPG

A shaded colour of the forest, developed by Pantone® and part of the Forest Select by Civitas Naturalis Foundation to inspire designers in the use of the colours of the forest. The colour Pantone® 15-6423 TPG has an RGB value 143 172 127 and a hex/html value #8FAC7F.

The Arrival of Spring in Woldgate, East Yorkshire in 2011 (twenty eleven)

David Hockney (2011). The Arrival of Spring in Woldgate, East Yorkshire in 2011 (twenty eleven) [Oil on 32 canvases (each 91.4 x 121.9 cm), 365.8 x 975.4 cm; one of a 52-part work]. Exhibition organised by the Royal Academy of Arts, London in collaboration with the Guggenheim Museum, Bilbao and the Museum Ludwig, Cologne. Courtesy of the artist. Copyright David Hockney. Photo credit: Jonathan Wilkinson

“De bosbouw vergt een holistische benadering”

Roelof A.A. Oldeman

Ekkelboom, J. (1994). “De bosbouw vergt een holistische benadering”: [interview met] hoogleraar bosteelt en bosoecologie prof. dr. ir. Roelof Oldeman. Nederlands Bosbouw Tijdschrift 66/1, 13-19. https://library.wur.nl/WebQuery/nbt/850422

De bosbouw borduurt teveel voort op de sectorale inrichting van het landgebruik. Dat zegt prof. dr. ir. Roelof Oldeman, hoogleraar Bosteelt & Bosoecologie aan de Landbouwuniversiteit Wageningen. Die reductionistische erfenis van de industriële revolutie dient volgens hem plaats te maken voor een meer holistische benadering waarbij de bossen niet meer moeten worden aangepast aan een beheersplan maar juist andersom. Hij pleit voor combinaties van landgebruik waarbij het begrip duurzaamheid opnieuw wordt gedefinieerd. Het huidige bosbouwonderwijs besteedt onvoldoende aandacht aan deze onderwerpen, vindt Oldeman.

“De architectuuranalyse vereenvoudigt de ingewikkelde werkelijkheid. Wij kijken eerst naar de natuur zelf terwijl de meeste andere modellen uitgaan van een eenvoudige hypothese gebaseerd op natuurwetten. Die passen dus hun model van de natuur aan een abstractie aan en zodoende ook de bossen aan een beheersplan. Wij kiezen voor de omgekeerde volgorde waarbij je een beheersplan aanpast aan een bos. En wil je productie hebben, leid dat dan uit het gehele bos af, z6 dat hoofdproduct en bijproducten of -diensten als geheel pakket maximaal worden, mits het de gezondheid van het bos niet schaadt en mits het een minimum kost. Dit is een radicale ommekeer omdat niet wordt uitgegaan van wat je eruit haalt maar van wat je erin steekt.”

Roelof A.A. Oldeman

Lees artikel

Sets of components in system architecture

Studying the forest ecosystem and its natural laws for development and succession, it is noteworthy from the perspective of diagnosis of the state of systems, being organisations and even cities, to keep the sets of forest trees in mind, as found by Oldeman (1974a) in a diversity of forests. In the forest the main components are trees. In organisations it are people and on city level it could be organisations itself. It is the level of consideration which makes it helpful to choose.

The main sets of in this case tree in a present architectural photo are representing the past, the present and the future in one, symbolising respectively decay, determination (of mass and power) and prospect. It is this triangle that is useful and could be considered as a set of guiding principles of diagnosing systems in general.

The forest is characterized by its trees. In the first part, we examined the rules to which tree growth obeys, expressed in an architecture peculiar to each species, but whose principle can be identified in relation to some twenty tree models. These criteria make it possible to distinguish three sets of forest trees. The whole of the future includes young trees, who, conforming to the initial model, often regenerated, will give structure to the future forest. The whole of the present brings together the trees having reached, by an abundant reiteration and growth in thickness, their maximum biomass and which determine the current architecture of the forest; the whole present is subdivided into structural sets at different heights. Forest architecture is stratified; the relative density of the trees in each set determines the good or bad visibility of “strata.” Lastly, the whole of the past includes trees in the process of being eliminated, traces of previous structures more or less blurring the architecture of the present.

Roelof A.A. Oldeman (1974a)

Bibliography

Oldeman, R.A.A. (1974a, 2nd ed.). L’architecture de la forêt guyanaise. Mémoires ORSTOM, 73.

See also